1 Februari 65 jaar na de ramp

Dit verhaal  past niet helemaal in mijn blog over de natuur, al gaat het wel over natuurgeweld. Het is mijn verhaal over hoe ik als kind de watersnoodramp van 1953 meemaakte.
Ik was zes en een half jaar toen de ramp het leven voor mij op Flakkee drastisch veranderde. Voor die tijd was ik – en dat gold voor de meeste jonge kinderen uit Achthuizen – nooit van het eiland weggeweest. Na de ramp was de wereld plotseling veel groter geworden. Ik ontdekte dat er bossen en vennen waren, grote dorpen en steden met heel veel mensen. Ik maakte kennis met een klooster annex een grote wasserij en een kruidentuin, met nonnen en fraters, een spoorlijn, waar je moest wachten voor de spoorbomen, als er treinen langs kwamen. Ik zag op de zoveel drukkere en bredere wegen de vele auto’s langs razen. Hoe anders was dat op ons eiland. Door het gedwongen verblijf in Oisterwijk, de plaats, waar we geëvacueerd waren, veranderde ons levensgevoel, maar eenmaal terug op Flakkee kwam het oude gevoel van beslotenheid en isolement weer terug.

Door de mechanisatie in de landbouw en het gebruik van bestrijdingsmiddelen nam de werkgelegenheid in de landbouw sterk af. De mensen uit ons dorp moesten elders werk gaan zoeken. Velen vonden dat in Rotterdam in de havens en in het Botlekgebied, waar tientallen pijpleidingen werden aangelegd. Nederland was zo kort na de Tweede Wereldoorlog volop bezig met de bouw van huizen, de aanleg van wegen en de ontwikkeling van de industrie. Op de akkers op het eiland, waar je vroeger tientallen arbeiders uien zag wieden en aardappels rooien, reden nu machines rond die het werk deden. Nog maar enkele arbeiders waren bij dit werk betrokken. Aanvankelijk deden die machines het werk lang niet zo grondig als eerder de arbeiders, maar geleidelijk verbeterde de techniek en nam het rendement van het machinegebruik toe.  

Zaterdag 31 januari 1953 woei er een hevige storm over het eiland. Je kon bijna niet over de dijk lopen. Het was koud en guur. ‘s Avonds gingen er al verhalen rond over de vloed die niet terug liep, en ook waren sommige mensen bang dat het water wel eens over de dijk heen zou kunnen lopen. Achthuizen ligt in een binnenpolder, en tussen de buitendijk langs Haringvliet, Krammer en Volkerak en het dorp liggen nog een paar binnendijken. De kans dat Achthuizen onder water zou lopen bij een dijkdoorbraak was niet zo groot als in de omringende dorpen. Iedereen ging, weliswaar wat ongerust, maar niet al te bang naar bed. Wat er echter die nacht gebeurde, was onvoorstelbaar. In het verleden zijn er vele overstromingen geweest, maar omdat niemand van de bevolking er ooit eentje had meegemaakt, dacht men dat die nu niet meer voorkwamen. De ramp was dan ook een complete verrassing voor de gehele eilandbevolking. Toch moeten er mensen zijn geweest, die wisten, dat een gebeurtenis als deze tot de mogelijkheden behoorde. Die kennis zal niet bij iedereen aanwezig zijn geweest, maar toch zeker bij hen die op de hoogte waren van het effect dat storm en water bij stormvloed kan veroorzaken. Bij mijn weten is er echter geen enkele waarschuwing uitgegaan voor wat zou kunnen gebeuren. Voortekenen moeten er volop geweest zijn, maar ik herinner me in dat kader alleen maar het verhaaltje, dat de hazen de dijken hadden opgezocht.  

De hele zondagnacht stormde het vreselijk en wij lagen in bed te luisteren naar de wind. ’s Morgens begon de dag als iedere andere zondagmorgen. Mijn zus Hennie ging om half acht naar de vroegmis en kwam gehaast terug met de mededeling, dat het water tot boven in de sloten stond en dat het nog steeds verder steeg. Het kwam al over de rand. Op de Nieuwbouw, zoals het wijkje waar wij woonden werd genoemd, liepen de mensen bij elkaar naar binnen om te overleggen wat er gedaan moest worden. Wat er zou kunnen gebeuren, was een vraag die niemand op dat moment goed kon beantwoorden. Op een gegeven moment gingen mensen dingen naar de zolder slepen. Mijn vader en mijn grote broers, Geert en Kees, zeulden de grote pekelton, gevuld met het vlees van het in het najaar geslachte varken, vanuit de kelder naar de zolder. Wij, de kleintjes, liepen er verloren bij. Waar mijn moeder was, weet ik niet meer. Me vasthoudend aan de rok van Antje IJpelaar ben ik naar de dijk gelopen. Antje was een al wat groter buurmeisje dat altijd probeerde, mij daarmee een beetje plagend, een zoentje te geven. We moesten al een heel eind door het water baggeren. Op de dijk aangekomen zijn we naar opa Brands gegaan. Ik weet niet wie nog meer bij mij waren. Misschien heeft Antje me daar gebracht. Het kan ook zijn dat er nog meer van ons gezin gelijk met mij naar de dijk gegaan zijn. Voor mijn gevoel kwam ik in mijn eentje bij opa aan. Een groot aantal familieleden zat al in het kleine kamertje. Door het raam keken we naar het nog steeds wassende water. De hele Galathese polder tegenover opa’s huis stond blank. De afrasteringen van de weilanden waren niet meer te zien. Een koe die los uit de stal de wei in gelopen was, zat vast in het weiland. Zij stond voor de draad en kon geen kant meer op. Na een tijdje zagen we haar niet meer. Ze was ondergegaan in het water.Afbeeldingsresultaat voor watersloot ramp 1953

Zo nu en dan gingen mensen uit huis de dijk op om koeien naar een veiligere plek te drijven. Ook werden deze gemolken, want melk was het enige dat we nog konden drinken. De waterleiding had het begeven en het drinkwater was geïnfiltreerd met zeewater. Op de dijk was het moeilijk voor de mensen om zich staande te houden. De wind gierde langs je oren. Tegen de middag werd het wat minder, maar ‘s avonds wakkerde de wind weer aan. De Molendijk op Den Bommel en de Tilsedijk in Zuidzijde waren ook doorgebroken. Aan de achterkant van opa’s huisje liep de Bommelse polder helemaal vol. We waren nu volledig ingesloten. Halverwege de middag stonden we met een aantal mensen, onder wie ook kleine kinderen, op de dijk naar deze zee te kijken. De wind was wat afgezwakt. Plotseling was er paniek. Ellie van tante Bet was in het water gevallen en dreef weg van de dijk. Gelukkig bleef ze in een aalbesbosje hangen, waar ze snel uitgehaald werd.

Het huisje van opa Brands op de dijk zat stampvol familie. Om beurten mochten we in de bedstee slapen. Dat gaf een veilig gevoel. Vanachter de gordijntjes door de kieren keken we de drukbevolkte kamer in en luisterden we naar wat daar besproken werd. Er was geen water, geen gas en geen elektriciteit. De kachel brandde op kolen die uit de schuur onder aan de dijk, net op tijd nog, naar het droge gebracht waren. Het vroor niet, maar de gure wind zorgde er voor dat de temperatuur tegen het vriespunt aan liep. 

Zondagavond nam de wind weer in hevigheid toe en werd er gevreesd voor nog meer dijkdoorbraken. Het water was bij de op de vloed volgende eb niet veel terug gelopen en steeg bij de nieuwe vloed nog verder. De storm bulderde weer over het eiland. Maandag verliep de dag in bang afwachten. Er was nog geen hulp van buiten gekomen en de mensen probeerden er van te maken wat er van te maken was. Gaten dichten in de dijken was onbegonnen werk. Koeien werden in veiligheid gebracht en ook werden er nog mensen uit de polder gehaald. Het gerucht ging dat alle honden en katten moesten worden afgemaakt, dit om besmettelijke ziekten te voorkomen. Dit gaf een hoop gedoe. Er waren boeren die, met het jachtgeweer in de hand, de politieman die belast was met het afmaken van de honden, probeerden te beletten om zijn taak uit te voeren. Een enkele hond is zo in leven gebleven, maar uiteindelijk gaf men, onder druk van het gezag en de argumenten, toe en werden de huisdieren allemaal doodgeschoten. Otto-Liesje, een oude onderwijzeres ‘van de overkant’, werkzaam aan de Openbare school in de Langstraat, zat nog in haar huisje op de Nieuwbouw. Ze was naar de slaapkamer boven gevlucht. Dat werd pas op maandag ontdekt. Als bijna de enige andersdenkende in het dorp – zij was protestant – had ze weinig contact met de buren. Onder veel protest is ze met haar katten uit huis gehaald en met een roeibootje naar de dijk gebracht. De katten moesten worden afgemaakt. Hoe erg ze dit vond liet ze duidelijk blijken. De Achthuizenaren konden voor haar houding in de ontstane situatie echter weinig begrip opbrengen. Zo sentimenteel werd er niet met katten omgegaan. Een hond verliezen, ja dat was jammer, maar een kat, daar zeurde je niet over.

Later op maandagmiddag kwam de hulpverlening van buiten op gang en gingen we iets merken van georganiseerde acties. We zagen helikopters van de Sabena overvliegen. Eentje, door de harde wind in moeilijkheden gebracht, moest in Achthuizen een noodlanding maken. Met deze helikopters zijn op het eiland, vooral in Oude Tonge, veel mensen van de daken gehaald. Later kwamen er ook amfibievaartuigen over de dijk en door de polder naar Achthuizen. De plaatselijke overheid probeerde door gerichte maatregelen sturing te geven aan wat er te doen stond in deze totaal nieuwe en verschrikkelijk moeilijke situatie.

Bij de hulpverlening ging er wel iets meer mis. Op 10 februari 1953 zou een Engelse Sikorsky-helikopter hulpgoederen brengen in Achthuizen voor de mensen die niet geëvacueerd hoefden te worden. De piloot wilde landen in de buurt van het Lesje, ongeveer ter hoogte van het huisje van mijn opa Brands, maar enkele seconden voor de landing blies een windvlaag het toestel van de dijk. De helikopter was total loss. De piloot kwam er met een nat pak vanaf.

Veel bekijks trok dit toch spectaculaire ongeluk niet, want op dat moment waren vrijwel alle mensen in Achthuizen al geëvacueerd. Alles was kapot, veel huizen waren voorlopig onbewoonbaar, besmettelijke ziekten dreigden. Winkels konden niet worden bevoorraad, normaal verkeer was niet meer mogelijk. De dijken moesten eerst gedicht, en ook andere herstelwerken moesten op grote schaal worden uitgevoerd. Op het eiland blijven was geen optie. Toch riep de evacuatie hier en daar protest op, vooral bij jonge mannen. Boekhouders en kantoorpersoneel kwamen ‘van de overkant’ om te werken aan de dijken, en jonge stevige kerels die gewend waren van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de klei te staan, moesten van het eiland af. Mijn broer Geert vond het heel erg, dat hij niet terug mocht om te helpen. Hij heeft wel geprobeerd om toestemming daarvoor te krijgen.

Woensdagmiddag op de vierde dag van de watersnood mochten wij vertrekken. Met een platte wagen met een tractor ervoor werden we naar Sluishaven gebracht.  Toen we Sluishaven tot op een kilometer genaderd waren, moesten we allemaal van de wagen en met de bagage die we bij ons hadden het laatste stuk te voet afleggen. Vlak voor de haven was een groot gat in de dijk geslagen. Over dit gat had men met balken een provisorische brug geslagen. Hier moesten wij overheen. Het was doodgriezelig. Onder de balken zag je het water door het gat in de dijk kolken. De boot lag op ons te wachten. De storm was al een paar dagen voorbij. De overtocht verliep dan ook gladjes. Op Dintelsas stonden bussen klaar om ons verder het land in te brengen. West-Brabant stond ook blank, maar het water stond hier niet zo hoog als in Achthuizen. De chauffeur moest zijn bus heel voorzichtig door de weliswaar ondiepe, maar levensgevaarlijke binnenzee sturen. De bomenrijen langs de ondergelopen wegen dienden als bakens die ervoor zorgden dat hij niet in de ondergelopen sloten reed. We leken op het Joodse volk, zich een weg banend door de Rode Zee, maar dan zonder donder en geweld en opstaande muren van water. Ik werd tijdens de rit volledig in beslag genomen door wat er om mij heen gebeurde en wat ik allemaal zag: rijden door het water, boerderijen die met hun dak net boven het water uitstaken, lange rijen bomen die ons de weg wezen. Ik vond het allemaal geweldig fascinerend. Ik heb mijn ervaringen later nooit echt kunnen delen met mensen die dit ook moeten hebben meegemaakt, vandaar dat ik hier een poging doe dit alles alsnog te vertellen. Ik weet niet meer waar tijdens de reis mijn familie was, mijn vader en moeder, mijn broers en zusters. Ze waren ongetwijfeld ook in de bus, maar ik heb daar geen enkele herinnering aan. Ik kan me ook niet herinneren dat we daar later met elkaar over gesproken hebben. 

De bus bracht ons naar een opvangplaats. Ik heb altijd gedacht dat die in Breda was, maar het was in de veehal van Den Bosch. Het was daar erg druk. Overal zag ik mensen met wat schamele bagage en bange onzekere gezichten. Van mijn moeder en mijn zusjes heb ik een foto. Ze zitten bij een tafeltje, waar een ober een kopje koffie serveert. Aan mijn moeder worden vragen gesteld door een man in een regenjas, een journalist. Ik sta zelf niet op deze foto, maar ik herinner me nog de mooie, jonge vrouw die bij hem is. Zij probeert mijn moeder gerust te stellen, maar die reageert daar niet zo op. Ze kijkt enigszins wezenloos en bang om zich heen, haar man zoekend die buiten beeld vlakbij haar staat. Op de vragen van de journalist lijkt ze niet te reageren. Ze heeft mijn zusje Rietje op schoot. Mijn grote zus Hennie heeft zich over Corrie ontfermd. 

In de ruimte waar we verbleven waren tafels vol met kleren, schoenen en speelgoed. We hadden geen andere kleren dan die we aan hadden en waren blij om hier van alles uit te mogen zoeken. Tussen de bergen textiel vond ik iets dat speciaal mijn aandacht trok, een soort overall voor in bed met voetjes er aan. Het was een hansopje, vertelden ze me later. Dit kindernachtpakje zou een belangrijke rol gaan spelen in de eerste dagen van onze evacuatie. 

Het was al stikdonker toen we weer de bus in moesten om verder te gaan, ik had geen idee waarheen. We reden door een stad. Dat zag ik aan de neonreclame. Ik had het nooit eerder gezien. Ik hoorde rinkelende bellen. Daarna reden we over een spoorwegovergang en stopten een eindje verder voor een groot gebouwencomplex, het nonnenklooster in Orthen bij Den Bosch. Hier zouden we voorlopig blijven. De eerste avond zagen we niet veel van de gebouwen en de omgeving. We moesten naar bed. Waar iedereen was, blijft voor mij weer een groot raadsel. Ik stond op een grote zolder met spanten en balken, planken vloer en dakbeschot. De zolder was ingedeeld in kleine ruimtes door middel van gordijnen en schermen. In de zo ingerichte kleine ruimtes stonden stapelbedden. Ik kreeg een bed toegewezen. Hier kon ik slapen. Er zou op me gepast worden, denk ik. Ben ik bang geweest, zo alleen op die grote zolder, nog maar net iets ouder dan mijn kleinzoontje Daan nu, jonger dan Sofie? Ik weet het niet, maar ik denk het wel. Ik plaste nog regelmatig in mijn bed. Het was koud, februari, er zal geen centrale verwarming geweest zijn. Alsof de voorzienigheid daarvoor gezorgd had, kwam nu mijn hansopje van pas. Onder de dekens, helemaal daarin opgesloten, vond ik de rust, de veiligheid en de warmte die ik nodig had om in slaap te komen. Mijn voeten, omsloten door de sokjes die geen einde leken te hebben en helemaal tot mijn nek gingen, gaven mij zo’n gevoel van veiligheid, dat ik dit nu nog na kan voelen. Later toen ik groot was en dingen moest doen, waar ik bang voor was of die ik spannend en moeilijk vond, voelde ik in mijn voeten, als in een déjà vu, de rust en het vertrouwen om te doen wat te doen stond.

In het klooster kregen we brood met gekleurde hagelslag en worst. We mochten in de tuin de planten water geven met een zinken gieter. De nonnen werkten in de moestuin en wij hielpen hen met allerlei karwijtjes. Het klooster had ook een wasserij met grote wasketels en mangels om het water uit het wasgoed te wringen. Ook stonden er grote strijkmachines. Deze leken op mangels, grote rollen die tegen elkaar indraaiden en het wasgoed zo glad als een aal persten. De was, gehaald en teruggebracht door kleine vrachtwagentjes, kwam van hotels en bedrijven. De evacués hielpen mee in het klooster waar ze konden, ook in de wasserij. 

Behalve ons gezin waren ook de gezinnen van tante Bet en dat van Kaat de Waal, buren van ons in Achthuizen, in het klooster ondergebracht. Tussen moeder en Kaat boterde het niet zo. Ze konden in Achthuizen al niet met elkaar opschieten, en nu ze in een kleine ruimte gedwongen samen waren, ging het helemaal niet. Er ontstond al gauw ruzie over het schoonmaken van de badkamer. Eén van de kinderen had in bad gepoept en dit was niet opgeruimd door de ouder. Er zullen nog wel meer ruzies geweest zijn. Op een bepaald moment ging het niet meer en werd er besloten dat ons gezin en dat van tante Bet weg moesten uit het klooster. Wij werden overgebracht naar de Staalberg in Oisterwijk. Dat was een vakantiekamp met nieuwe houten huisjes. Deze waren nog niet gebruikt en nog maar net klaar. Ieder gezin kreeg een huisje. De gaarkeuken was voor algemeen gebruik. Daar moesten we ons warm eten gaan halen. Ik zie me nog staan met mijn pannetje om de aardappels en de groente in te doen.

De Staalberg lag ongeveer drie kilometer van de school. We gingen er te voet naar toe, eerst door een dennenbos langs vennen met zwanen er in, dan langs het hertenkamp en via een verharde weg naar het dorp. De school, waar fraters de scepter zwaaiden, lag niet ver van het spoor. In Achthuizen had ik nooit een bos of ven gezien.Voor mij was de omgeving totaal nieuw. Alles leek hier ontzettend groot en ik voelde me een heel klein jongetje onder die grote dikke bomen.

Na vier maanden waren de polders rond Achthuizen weer droog. Pa, Geert, Hennie en Kees konden naar huis om de boel schoon te maken. Er lag een dikke laag slik op de vloer. Overal lag wrakhout en het was een vreselijke rotzooi. Na een tijdje mochten ook wij naar huis. 

Overal op het eiland, op de dammen over de sloten naar het akkerland, lagen grote hopen gips. Dit werd uitgestrooid over het land om het zout, dat door het zeewater in het land gekomen was, uit de grond te trekken. Het eerste jaar werd er niet geoogst. Het land werd ingezaaid met lupine, wikke en klaver. Gewassen die de grond weer gezond moesten maken. Na verloop van tijd nam het leven weer zijn normale gang. Over de ramp werd niet veel meer gesproken. In Achthuizen hadden de mensen ook niet zo veel geleden als in de omliggende dorpen. Er waren bij ons geen doden te betreuren. Wel was er veel materiële schade. Van alle kanten kwam hulp om het leed en het verlies goed te maken. Uit Oostenrijk, Zweden en Canada kwamen complete huizen van hout, een flink aantal hiervan is nu nog steeds in gebruik. Ook werden er pakketten met gereedschap uitgedeeld. Deze kwamen van het rode Kruis. Hamer, nijptang, sleutels, schroevendraaiers, schop, riek en schoffel. Ik zie het allemaal nog zo voor me, een kleine bijl, een hakmes en een grote bijl.

De dijken en polders lagen bezaaid met wrakhout, achter op de plaats werd door een grote vrachtauto een flinke lading hout gestort. Dit werd kapot gezaagd voor de kachel. Het meeste hout kwam uit de dorpen uit de buurt. Vooral Oude Tonge was zwaar getroffen. Ik heb de ravage zelf nooit gezien, ik was nog te jong om zo ver van huis te gaan, maar van foto’s en later van wat mijn zus vertelde, wist ik dat het verschrikkelijk geweest is. Toen wij terug op Flakkee kwamen stonden nog enkele polders onder water. Met de telefoonpalen die langs de dijken lagen, maakten we een vlot waarmee we de, onder water staande, polder op vaarden. Voor ons, jongetjes, was het een spannende tijd. Ik had het gevoel dat niemand op ons letten en wij ongestoord onze gang konden gaan. Overal werd gewerkt om de schade te herstellen. Ik herinner me dat er dikke pijpleidingen vanuit de polder, over de dijk naar het buitenwater liepen. Met grote pompen werd door deze leidingen het water uit de polder weer terug in het Volkerak gepompt. Met netten of iets wat daar op leek, probeerden wij de vis die met het water mee kwam, te vangen.

Het leven kreeg na verloop van tijd weer zijn oude loop. In 1956 hebben we nog een keer flink in onze rats gezeten toen er weer een zeer zware storm over het eiland woei. Rond 1958 zagen wij, toen we zwommen in het Haringvliet, in de verte, richting Ooltgensplaat en Willemstad, de eerste contouren van het opgespoten zand dat Hellegatsplein moest worden. De dam die Flakkee met dit plein moest verbinden werd vanaf Flakkee opgespoten en wij waren maar wat nieuwsgierig naar de machtige machines die hier aan het werk waren. Het was levensgevaarlijke om te dicht in de buurt van het opgespoten zand te komen want het vers opgespoten zand was lange tijd drijfzand, waar je in weg kon zakken.

In 1960, net voordat Flakkee uit zijn insolent was bevrijd, vertrok ons gezin van ons eiland, naar Best. Door de snelle mechanisatie in de landbouw en het werken met verdelgingsmiddelen, was er nog maar weinig werk voor de landarbeiders en pendelden veel mannen iedere dag naar Rotterdam om in de havens en droogdokken te werken. Mijn vader had hier weinig zin. Hij was toen 53 jaar en had een zwakke rug. Door bemiddeling van zijn broer, die al in Best woonde konden wij een huis krijgen en bij de Bata gaan werken. Mijn vader heeft het land nooit gemist, hij wist niet hoe gemakkelijk hij het had in de fabriek bij Bata. Geen kou, geen regen, geen ijzel op het suikerbietenblad, geen kloven in de ongeschoeide handen, geen pijn in zijn rug en maar doorgaan. Nee, voor pa was Best prima. Ik miste Flakkee in het begin erg. Net nog geen 14 en nog graag spelend en zwervend door de polders en over het gors. In Best hoefde ik nog maar een paar maanden naar de basisschool en daarna ging ik naar de Bataopleiding voor machinaal schoenmaker. De hele dag in een, niet zo fris ruikende fabriek, in een overal achter allerlei machines. Dit was mijn nieuwe leven.

Advertenties

We trekken een wissel

Een paar jaar geleden is het langvengebied, dat ligt in de noordoost-hoek gevormd door het kanaal en de A2 snelweg in Best, ontdaan van een groot aantal vliegdennen. Ook is de bodem van een deel van het gebied afgeplagd tot op de grijze podzolgrond. Met deze beheermaatregel hoopt men de waterstand in de vennen op een hoger peil te brengen. De bomen trekken veel water uit de grond, dat anders in de vennen zou worden opgevangen, was de redenatie. Of dit door het kappen van de bomen ook werkelijk zal gebeuren is nog niet duidelijk, er worden regelmatig metingen verricht die dit moeten aantonen. Voor het droog houden van de A2, die vlakbij de grond in gaat, moet veel water weggepompt worden. Hierdoor daalt de waterstand in de omgeving en dit heeft uiteraard effect op het omringend gebied.

Ook als het rooien van de bomen geen effect heeft op de waterstand is het toch goed dat dit gebeurd is. Het langvengebied is een klein restant van de grote stille heide, zoals wij die tot begin 1900 nog kenden. Dit gebied van ongeveer vijf kilometer breed, liep van Turnhout tot in de Peel en was een onmisbare schakel in de toenmalige landbouwmethode, de potstalcultuur. De heide was graasgrond voor de schapen, leverancier van plaggen, mest en nog veel meer producten. Door het afplaggen en begrazen bleef de heide eeuwen lang in stand. Met de komst van de kunstmest werd de heidegrond overbodig en gebruikt voor andere doeleinden zoals bosbouw, en stadsuitbreiding. Slechts hier en daar ligt nog een klein stukje geschiedenis, meestal op natte grond die ongeschikt was voor “ontwikkeling”.

Met het ontdoen van vliegdennen en het afplaggen van de heide, brengen we het gebied weer een beetje in de staat van vroeger. Interessant is te zien hoe algen, mossen en uiteindelijk jonge heide de kale grond weer gaan kolonialiseren. De successie, opeenvolging van verschillende ontwikkelingsstadia van plantengroei, is hier goed te volgen. Je moet wel wat geduld hebben want de natuur heeft alle tijd.

Met het afplaggen van de hoge en al oude heide, zijn ook hele stukken van de paden, die door dit gebied lopen, weggeschoven. Wanneer ik het gebied in trok om te zien wat er allemaal aan de gang was voelde ik me wat verward, waar moet ik lopen, het was alsof ik over een kale akker liep. Ik zocht naar oriëntatiepunten en voelde me weer een beetje thuis als ik het restant van een oud pad vond. Nu, na enkele jaren, zie je nieuwe stukjes pad ontstaan die de oude paden weer aan elkaar verbinden. Ook dit is weer een interessant gegeven, nieuwe paden die ontstaan, daar waar mensen gaan. Waar dieren dit doen spreken we van “een wissel”. Wanneer mensen een “wissel trekken”bedoelen we toch wat anders. Misschien trekken we met de beheermaatregelen die het langvengebied weer wat mooier maken,  een wissel op de toekomst.

Een voorboden van de Lente

We zitten nog midden in de winter, ook al is dit aan de temperatuur niet te merken. Het kan nog alle kanten op, het is nog lang geen lente. Toch bereidt de natuur zich al weer voor op het komende seizoen. De temperatuur hoeft maar een paar dagen wat hoger te zijn en de eerste tekenen van de naderende lente kondigen zich al aan. Ieder jaar is het weer een sport om het eerste vrouwelijke hazelaarbloempje te ontdekken. Zodra ik de mannelijke katjes langer en dikker zie worden weet ik dat het vrouwelijke katje in de buurt moet zijn. Ik kan geen hazelaar meer voorbij rijden zonder af te stappen en de takken af te speuren naar het kleine rode bloempje, dat na bevruchting de hazelnoot zal gaan vormen. Prachtig hoe deze struik weet dat het snel moet zijn. Afhankelijk van de wind voor de bestuiving, moet het in bloei zijn voor de bladeren aan de bomen in zijn omgeving uitlopen en daardoor de bestuiving gaan bemoeilijken en zelfs kunnen verhinderen. In de herfst van het vorige jaar heeft de hazelaar de eerste aanzet voor de mannelijke katjes en de blad- en bloemknoppen al gevormd.P1090840 Het bladgroen wordt uit de bladeren die later zullen worden afgeworpen, terug getrokken en in de knoppen voor het volgend jaar opgeslagen. Aan  de knoppen is nog niet te zien of het blad- of bloemknoppen zijn. De mannelijke katjes zijn duidelijk te herkennen. Ze zijn kort en heel compact. Door de hoge concentratie aan mineralen in de katjes en knoppen zijn deze bestand tegen vorst in de winter  en zullen ze niet bevriezen. Het grootste risico om te bevriezen lopen de katjes wanneer ze, door tijdelijk hogere temperaturen, te vroeg uitlopen. Dit komt vaak voor, vooral als we een zachte januari hebben en een koude februari of maart.

Vanmorgen vond ik mijn eerste vrouwelijke katje. In de Scheeken, wandelend in de hoop edelherten te zien, zag ik langs de sloot, goed beschut in de luwte van een grote populier, een hazelaar, boordevol hangende stuifmeelkatjes. Ik tikte tegen een van de katjes en een volkje geel stuifmeel dwarrelde door de lucht. Op een van de bovenliggende  knoppen zag ik het kleine rode bloempje. Altijd weer een mooi moment, ieder jaar bijna het zelfde maar toch altijd weer mooi. De lente komt, ook al duurt het nog even.

Opgejaagd wild

Op maandagmorgen wandelen Trees, mijn vrouw en ik, voor ons plezier maar ook om de conditie op peil te houden, door de bossen rond het Joe Mann natuurtheater. Afgelopen maandag was ik alleen. Als je alleen bent zie en hoor je meer.  De dieren die hier rondlopen en vliegen hebben je ook minder in de gaten en laten zich daarom gemakkelijker zien. Plotseling sprongen er twee reeën, vlak voor mij, met opgestoken staartje, het pad over. Ik was blij verrast weer eens reeën te zien, maar vond het toch vreemd, rond elf uur deze dieren door bos te zien rennen. Meestal doen ze dit niet, reeën  zijn nachtdieren en foerageren `s avonds en `s nachts, ze liggen overdag in dekking. Ze zullen opgeschrikt zijn dacht ik. Meteen daarop zag ik een middelgrote jachthond het pad oversteken en met zijn neus laag aan de grond, het spoor van de reeën volgen. Er was nergens een baasje te zien, de hond was waarschijnlijk op de reeën gestoten en de baas had daarop de hond niet meer onder controle. De baas zou wel ergens lopen te zoeken en hoopte natuurlijk dat zijn hond terug komt wanneer deze inzag dat hij de reeën niet in kon halen.

Toch is er hier iets heel vervelends aan de hand. Het is in onze natuurgebieden niet toegestaan honden los te laten rondlopen, niet omdat de honden en de baas dit niet gegund wordt, maar omdat honden het wild verstoren. Reeën moeten overdag rusten en als deze vaak worden opgedreven raken ze gestrest. Zeker als ze drachtig zijn is dit voor deze dieren heel vervelend. Een aantal maanden geleden zijn er in de Scheeken, een gebied tussen Best en Liempd, dertien edelherten uitgezet. Dit is gedaan om de biodiversiteit in onze natuur te vergroten. Reeën hebben net als alle andere dieren, die zelfde functie. Zij zorgen voor een grotere variëteit aan biotopen, die elk weer zijn eigen specifieke planten en insectenwereld hebben. In deze tijd waarin het milieu zeer serieus bedreigd wordt mogen we hier niet te  licht over denken.

De manier waarop wij tegenwoordig met onze dieren omgaan is anders dan vroeger. In mijn jeugd was een hond een hond en niet bijna een kindje waar je mee naar de dokter  en naar de kapper ging. Hij kreeg ook wel eens een trap als hij in de weg lag. Gelukkig doen we dit niet meer met onze huisdieren, we zijn veel aardiger voor hen dan vroeger. Dieren hebben  rechten en we dienen goed voor hen te zorgen. Maar de dieren in het bos hebben ook rechten. Het is hun leefgebied, dat door al die loslopende honden ernstig verstoord wordt. Vroeger kon je, wanneer je in de natuur rondliep, aangesproken worden door een natuurwachter, een vrijwilliger die hier voor was aangesteld. Wij, natuurgidsen van  het IVN, hebben een andere taak. wij nemen mensen mee de natuur in en hopen dat ze daar door, hier meer van gaan houden. Misschien wordt het tijd dat we ook de taak van de oude natuurwachter weer op ons gaan nemen.

De foto van de ree heb ik geleend van Lou van de Aa

 

 

 

Mijn liefde voor de polder

Tot mijn veertiende jaar woonde ik op Over Flakkee, Dit was toen nog een eiland. Mijn wereld had een actieradius van een paar kilometer in de rondte, een kleine wereld. Maar als ik in de polder stond had mijn wereld een enorme weidsheid. Zij strekte zich naar alle richtingen uit zo ver als ik kijken kon. De lucht kwam tot aan de grond, nergens was een obstakel voor mijn ogen. Dit beeld doet mij denken aan het wereldbeeld dat de mensen hadden voor men wist dat de aarde rond was. Voor hen was de aarde plat, zo stond het ook in de Bijbel. God scheidde de wateren in het water onder, in de zeeën en meren en in het water boven, het blauw van onze lucht. Als een kaasstolp stond het hemelgewelf over de platte aarde en liet het regenen door luikjes in het gewelf te openen. Wij, op Flakkee konden ons dat heel goed voorstellen, het beantwoorden helemaal aan  hoe wij de aarde waarnamen, een platte pannenkoek met een hemel die van horizon naar horizon over ons heen gespannen stond. Wij konden er ook niet af, want het Haringvliet en het Volkerak lagen om ons heen. Het is misschien wel hierom dat de mensen in deze streek zo bijbelvast zijn. De beelden uit de ruimte, die overduidelijk laten zien dat de aarde echt rond is en los door de ruimte zweeft, was voor veel gelovige uit onze contreien een enorme schok. Voor katholieken in Brabant is het maar moeilijk te begrijpen dat van deze kwestie zo’n punt gemaakt werd. Als Flakkeeër, met liefde voor de vlakke uitgestrekte polder met zijn weidse luchten begrijp ik mijn gereformeerde medemens wel een beetje en als, nu toch wel aardig geïntegreerde Brabander, snap ik ook dat Brabanders veel minder moeite hadden met de nieuwe inzichten. In de eerste plaats lazen katholieken de Bijbel niet, dus meer dan de helft wist niet dat hier in stond dat de aarde plat was. Het nieuwe inzicht dat de aarde rond is, leverde hen daarom dan ook weinig of geen gewetensnood op. Lopend door bossen  en glooiende heidevelden, zie je niet dat de aarde plat zou kunnen zijn, voor Brabanders is daarom een ronde aarde veel gemakkelijker voorstelbaar. Nu ik dit weet probeer ik niet meer om Brabanders liefde voor de polder bij te brengen, dit lukt maar bij een enkeling, je moet daar geboren zijn. Liefde voor de Brabantse heide en bossen neem je veel gemakkelijker over, waarom? ik weet het niet, misschien wel omdat de aarde echt wel rond is.

 

Paddenstoelen… fascinerend.

Heeft u wel eens met een kind in de herfst door het bos gelopen? Bijna zeker is er dan gezocht naar de rood met witte stippen paddenstoel, de vliegenzwam. Paddenstoelen zijn fascinerende planten, mysterieus, mystiek bijna, niet alleen voor kinderen, ook voor volwassenen, vroeger en ook nu nog. Je kan dit terug vinden in de naamgeving en in de woorden die gebruikt worden met betrekking tot deze plantengroep. Neem het woord “paddenstoel”, vrij vertaald hebben we het hier dan over de stoelen van padden. Padden stonden vroeger symbool voor dood en wellust, welke de vergankelijkheid van de mens aanduid. De paddenstoel is er vandaag en morgen kan zij al weer verdwenen zijn, zo ook de mens die zich aan de wellust overgeeft, de dood volgt snel. De al eerder genoemde vliegenzwam dankt zijn naam aan de hallucinerende werking van het rode vlies dat zijn hoed omspant. Door het innemen van dit goedje, gedrenkt in water, zie je ze vliegen en betreed je de geestelijke wereld. Een moderne variant hierop vormen de paddo’s. Dan hebben we de minder bekende stinkzwam, een paddenstoel met een vreselijke aaslucht, verspreid door de kop van het fallisachtige vruchtlichaam waar de sporen van de plant gevormd worden. Vliegen die op de aaslucht afkomen nemen de kleverige sporen aan hun poten mee en laten deze andere plaatsen weer achter. Zodoende helpt de vlieg mee aan de voortplanting van de stinkzwam. De stinkzwam wordt geboren uit een duivelsei, in razend tempo richt hij zich op uit dit ei, met de stank die hij verspreidt, echt het werk van de duivel. We weten allemaal dat de heksen vooral in de herfst actief zijn. ‘s Nachts, in het helse donker, verborgen voor het oog van de brave burgers en buitenlui, dansen zij hun heksendansen. Maar toch blijft deze niet onopgemerkt, een heksenkring markeert de cirkel van hun duivelse dans. Ga je de volgende dag terug met de pastoor om de duivel te verjagen, is er vaak geen kring meer te vinden, ook de heksenkring heeft een kortstondig leven. Dit geloof hield stand tot in de negentiende eeuw, toen werd ontdekt dat de heksenkring gevormd werd door paddenstoelen die de vruchtlichamen zijn van een zwamvlok in de bodem. De paddenstoelen groeien aan de rand van de zwamvlok, deze wordt ieder jaar groter en vormt zo een steeds groter wordende kring, de heksenkring. Paddenstoelen blijven ons fascineren en hopelijk niet alleen om hun mysterieuze verhalen, want we hebben ze hard nodig. Zij werken misschien niet meer zoals we vroeger geloofde, maar ze werken wel voor ons. Ze houden onze bodem gezond, ze zorgen in het verborgene van de aarde voor de omzetting van biologisch afval in mineralen, de voeding voor het nieuwe leven in de komende lente. Laten we van ze genieten, ze dankbaar zijn en ze laten staan, tot ze vanzelf verdwijnen want ze leven maar kort.

De herfst is er al

Wij hebben een prachtig klimaat, lente, zomer, herfst en winter. Ik moest er een aantal jaren geleden niet aan denken dat we in een klimaatzone zouden wonen met maar een seizoen, alleen maar zomer, altijd zon. Dit leek mij vreselijk saai, ik hield van het wisselen der seizoenen, van wind, regen, mist, sneeuw en zon. Nu ik zelf in de herfst van mijn leven begin te komen verandert mijn liefde voor de seizoenen. Het meest hou ik nu van de zomer, regen, wind en mist begin ik steeds meer als ongemak en last te ervaren. 

De herfst stemt mij tot nadenken, er gebeuren bijzondere dingen in de natuur, er is zoveel te zien. De lente en de zomer hebben gezorgd voor een overvloed aan nieuw leven en aan voedsel en nu moet dit leven de winter door zien te komen. De herfst is de voorbereiding hier op. Zoogdieren leggen een vetlaag  aan, sommige een voorraadje voedsel en trekvogels maken zich op voor de trek naar warmere streken. Planten trekken zich terug tot een rozet vlak aan de bodem en schuilen in elkaars nabijheid. Zaden zijn verspreid en wachten op het ontkiemen in de volgende lente. De bomen die straks in de winter, kaal en koud in het landschap staan, zien er in de herfst prachtig uit in al hun kleuren. Zij kunnen zich niet klein maken en moeten in heel hun omvang de winter door, dat is een hele klus. Zij hebben daar een vernuftig mechanisme voor ontwikkeld. Nu het herfst is kleuren de bladeren, dit komt omdat het bladgroen, nodig voor het omzetten van koolstof en zonlicht in suiker en zuurstof, uit het blad wordt terug getrokken in de knoppen die volgend jaar weer uitlopen tot de nieuwe bladeren. Heel slim, want het bladgroen is  een ingewikkelde stof die om aan te maken veel energie kost. De knoppen zijn in de nazomer al  gevormd in de oksels van de bladeren. Is het bladgroen veilig gesteld werpt de boom zijn blad af, dit is een actief proces. De boom voorkomt hiermee dat hij, wanneer de temperatuur te laag wordt en hij geen voeding en water meer kan opnemen, uitdroogt. De bladeren blijven immers wel vocht verdampen terwijl er geen water meer wordt aan gevoerd als de temperatuur minder dan 4 graden is.P1090757

Wat kan ik, in de herfst van mijn leven nu van de boom in de herfst leren? Kan ik mijn meest kostbare stoffen veiligstellen voor mijn volgende generatie en hoe doe ik dat? Wat zijn mijn meest kostbare stoffen?  En dan het afwerpen van mijn bladeren, nodig om rustig de winter in te gaan, hoe pak ik dat aan. De lange avonden komen eraan en de televisie kan zo nu en dan gerust uit, tijd genoeg dus om eens goed over deze diepe vragen na te denken.