Mijn liefde voor de polder

Tot mijn veertiende jaar woonde ik op Over Flakkee, Dit was toen nog een eiland. Mijn wereld had een actieradius van een paar kilometer in de rondte, een kleine wereld. Maar als ik in de polder stond had mijn wereld een enorme weidsheid. Zij strekte zich naar alle richtingen uit zo ver als ik kijken kon. De lucht kwam tot aan de grond, nergens was een obstakel voor mijn ogen. Dit beeld doet mij denken aan het wereldbeeld dat de mensen hadden voor men wist dat de aarde rond was. Voor hen was de aarde plat, zo stond het ook in de Bijbel. God scheidde de wateren in het water onder, in de zeeën en meren en in het water boven, het blauw van onze lucht. Als een kaasstolp stond het hemelgewelf over de platte aarde en liet het regenen door luikjes in het gewelf te openen. Wij, op Flakkee konden ons dat heel goed voorstellen, het beantwoorden helemaal aan  hoe wij de aarde waarnamen, een platte pannenkoek met een hemel die van horizon naar horizon over ons heen gespannen stond. Wij konden er ook niet af, want het Haringvliet en het Volkerak lagen om ons heen. Het is misschien wel hierom dat de mensen in deze streek zo bijbelvast zijn. De beelden uit de ruimte, die overduidelijk laten zien dat de aarde echt rond is en los door de ruimte zweeft, was voor veel gelovige uit onze contreien een enorme schok. Voor katholieken in Brabant is het maar moeilijk te begrijpen dat van deze kwestie zo’n punt gemaakt werd. Als Flakkeeër, met liefde voor de vlakke uitgestrekte polder met zijn weidse luchten begrijp ik mijn gereformeerde medemens wel een beetje en als, nu toch wel aardig geïntegreerde Brabander, snap ik ook dat Brabanders veel minder moeite hadden met de nieuwe inzichten. In de eerste plaats lazen katholieken de Bijbel niet, dus meer dan de helft wist niet dat hier in stond dat de aarde plat was. Het nieuwe inzicht dat de aarde rond is, leverde hen daarom dan ook weinig of geen gewetensnood op. Lopend door bossen  en glooiende heidevelden, zie je niet dat de aarde plat zou kunnen zijn, voor Brabanders is daarom een ronde aarde veel gemakkelijker voorstelbaar. Nu ik dit weet probeer ik niet meer om Brabanders liefde voor de polder bij te brengen, dit lukt maar bij een enkeling, je moet daar geboren zijn. Liefde voor de Brabantse heide en bossen neem je veel gemakkelijker over, waarom? ik weet het niet, misschien wel omdat de aarde echt wel rond is.

 

Advertenties

Paddenstoelen… fascinerend.

Heeft u wel eens met een kind in de herfst door het bos gelopen? Bijna zeker is er dan gezocht naar de rood met witte stippen paddenstoel, de vliegenzwam. Paddenstoelen zijn fascinerende planten, mysterieus, mystiek bijna, niet alleen voor kinderen, ook voor volwassenen, vroeger en ook nu nog. Je kan dit terug vinden in de naamgeving en in de woorden die gebruikt worden met betrekking tot deze plantengroep. Neem het woord “paddenstoel”, vrij vertaald hebben we het hier dan over de stoelen van padden. Padden stonden vroeger symbool voor dood en wellust, welke de vergankelijkheid van de mens aanduid. De paddenstoel is er vandaag en morgen kan zij al weer verdwenen zijn, zo ook de mens die zich aan de wellust overgeeft, de dood volgt snel. De al eerder genoemde vliegenzwam dankt zijn naam aan de hallucinerende werking van het rode vlies dat zijn hoed omspant. Door het innemen van dit goedje, gedrenkt in water, zie je ze vliegen en betreed je de geestelijke wereld. Een moderne variant hierop vormen de paddo’s. Dan hebben we de minder bekende stinkzwam, een paddenstoel met een vreselijke aaslucht, verspreid door de kop van het fallisachtige vruchtlichaam waar de sporen van de plant gevormd worden. Vliegen die op de aaslucht afkomen nemen de kleverige sporen aan hun poten mee en laten deze andere plaatsen weer achter. Zodoende helpt de vlieg mee aan de voortplanting van de stinkzwam. De stinkzwam wordt geboren uit een duivelsei, in razend tempo richt hij zich op uit dit ei, met de stank die hij verspreidt, echt het werk van de duivel. We weten allemaal dat de heksen vooral in de herfst actief zijn. ‘s Nachts, in het helse donker, verborgen voor het oog van de brave burgers en buitenlui, dansen zij hun heksendansen. Maar toch blijft deze niet onopgemerkt, een heksenkring markeert de cirkel van hun duivelse dans. Ga je de volgende dag terug met de pastoor om de duivel te verjagen, is er vaak geen kring meer te vinden, ook de heksenkring heeft een kortstondig leven. Dit geloof hield stand tot in de negentiende eeuw, toen werd ontdekt dat de heksenkring gevormd werd door paddenstoelen die de vruchtlichamen zijn van een zwamvlok in de bodem. De paddenstoelen groeien aan de rand van de zwamvlok, deze wordt ieder jaar groter en vormt zo een steeds groter wordende kring, de heksenkring. Paddenstoelen blijven ons fascineren en hopelijk niet alleen om hun mysterieuze verhalen, want we hebben ze hard nodig. Zij werken misschien niet meer zoals we vroeger geloofde, maar ze werken wel voor ons. Ze houden onze bodem gezond, ze zorgen in het verborgene van de aarde voor de omzetting van biologisch afval in mineralen, de voeding voor het nieuwe leven in de komende lente. Laten we van ze genieten, ze dankbaar zijn en ze laten staan, tot ze vanzelf verdwijnen want ze leven maar kort.

De herfst is er al

Wij hebben een prachtig klimaat, lente, zomer, herfst en winter. Ik moest er een aantal jaren geleden niet aan denken dat we in een klimaatzone zouden wonen met maar een seizoen, alleen maar zomer, altijd zon. Dit leek mij vreselijk saai, ik hield van het wisselen der seizoenen, van wind, regen, mist, sneeuw en zon. Nu ik zelf in de herfst van mijn leven begin te komen verandert mijn liefde voor de seizoenen. Het meest hou ik nu van de zomer, regen, wind en mist begin ik steeds meer als ongemak en last te ervaren. 

De herfst stemt mij tot nadenken, er gebeuren bijzondere dingen in de natuur, er is zoveel te zien. De lente en de zomer hebben gezorgd voor een overvloed aan nieuw leven en aan voedsel en nu moet dit leven de winter door zien te komen. De herfst is de voorbereiding hier op. Zoogdieren leggen een vetlaag  aan, sommige een voorraadje voedsel en trekvogels maken zich op voor de trek naar warmere streken. Planten trekken zich terug tot een rozet vlak aan de bodem en schuilen in elkaars nabijheid. Zaden zijn verspreid en wachten op het ontkiemen in de volgende lente. De bomen die straks in de winter, kaal en koud in het landschap staan, zien er in de herfst prachtig uit in al hun kleuren. Zij kunnen zich niet klein maken en moeten in heel hun omvang de winter door, dat is een hele klus. Zij hebben daar een vernuftig mechanisme voor ontwikkeld. Nu het herfst is kleuren de bladeren, dit komt omdat het bladgroen, nodig voor het omzetten van koolstof en zonlicht in suiker en zuurstof, uit het blad wordt terug getrokken in de knoppen die volgend jaar weer uitlopen tot de nieuwe bladeren. Heel slim, want het bladgroen is  een ingewikkelde stof die om aan te maken veel energie kost. De knoppen zijn in de nazomer al  gevormd in de oksels van de bladeren. Is het bladgroen veilig gesteld werpt de boom zijn blad af, dit is een actief proces. De boom voorkomt hiermee dat hij, wanneer de temperatuur te laag wordt en hij geen voeding en water meer kan opnemen, uitdroogt. De bladeren blijven immers wel vocht verdampen terwijl er geen water meer wordt aan gevoerd als de temperatuur minder dan 4 graden is.P1090757

Wat kan ik, in de herfst van mijn leven nu van de boom in de herfst leren? Kan ik mijn meest kostbare stoffen veiligstellen voor mijn volgende generatie en hoe doe ik dat? Wat zijn mijn meest kostbare stoffen?  En dan het afwerpen van mijn bladeren, nodig om rustig de winter in te gaan, hoe pak ik dat aan. De lange avonden komen eraan en de televisie kan zo nu en dan gerust uit, tijd genoeg dus om eens goed over deze diepe vragen na te denken.

Dat gaat naar Den Bosch toe

Langzaam stromen ze door het Brabantse land, onze laaglandbeken. In België ontspringen ze, of beter gezegd worden ze gevormd door het regenwater dat samenstroomt in lagergelegen land. Hier vormen ze stroompjes en slootjes en komen onze grens over, op weg naar Den Bosch. Maar waarom naar Den Bosch?  Dit is al in lang vervlogen tijd zo bepaald, in de tijd dat onze aardschil, bestaande uit schollen die rijzen en dalen om de spanning in de aardkorst op te vangen, werden gevormd. Wij in Best liggen midden op een schol die daalt en waarvan de breuklijnen ongeveer lopen van Turnhout naar Geertruidenberg en van de Peel naar Oss. Het oranje deel van het kaartje is de centrale slenk en deze is in de loop der eeuwen tweehonderd meter gedaald. De delen ten oosten en ten westen van deze slenk zijn de horsten. Wij wonen dus in een soort Grand Canyon, maar bij ons is deze canyon dicht geslibd met materiaal uit de rivieren en zand uit de zee. Het afschot naar de zee is er nog wel maar de hoogte verschillen zijn zo klein dat je deze met het blote oog niet kan zien. Omdat moeder aarde hier de bodem zo heeft ingericht kunnen wij nu genieten van dit prachtige beekdalenlandschap.

Net  als de grote rivieren zijn deze beken de levensaders van  het doorsneden land. Via het water vonden onze voorouders, door ondoordringbare bossen,  hun weg naar deze contreien. Langs het water werden de eerste nederzettingen gesticht. Breugel, de plaats waar deze foto genomen werd, is hier een goed voorbeeld van. Wat stroomafwaarts vinden we Sint Oedenrode, Olland en Liempde. Heel veel Brabantse dorpen zijn gevestigd langs kleine riviertjes en beken.

Onze beken hebben de laatste 100 jaar heel veel te verduren gehad, we zijn er niet zo verstandig en netjes mee omgesprongen. Met de komst van de grootschalige vee- en varkenshouderij waren het meer open riolen dan beken en je zou er je kind niet graag in laten zwemmen. Het aantal planten en waterdiertjes was dramatisch gedaald. Het water stonk en zag zwart, alle zuurstof in het water werd gebruikt om de rotzooi die hierin lag af te breken, want de natuur geeft het niet gauw op. Wanneer wij, stroomafwaarts water metingen deden, bleek, hoe verder we van de vervuilende bron kwamen hoe minder vuil het water was en hoe meer soorten planten en diertjes wij weer aantroffen. Toch hadden de Dommel en alle andere beken het nooit gered wanneer de mens niet tot inzicht was gekomen dat het zo niet door kon gaan. Nu in 2017 is de Dommel weer redelijk schoon, ze stinkt niet meer en het water is niet meer zwart. Het giftige slib op de bodem is op de meeste plaatsen verwijderd en de flora en fauna is weer veel diverser. Dit is bereikt door het verbod op het lozen van mest en giftstoffen en het saneren van de troep die we hadden aangericht. We mogen hier blij mee zijn maar laten we niet te vroeg juichen, we zijn er nog lang niet. Nog steeds stroomt er mest en gifstoffen vanuit de bouwlanden het oppervlakte water in. Hoe gaan we dit stoppen? 

 

Bijna 18 september en 24 oktober

Vorige week dinsdag maakten mijn vrouw en ik een flinke fietstocht, deze ging via Geldrop, over de Strabrechtse heide, naar Heeze en via Eindhoven weer terug naar Best. Tussen Heeze en Eindhoven, ergens in de buurt van de Hut van Mie Pils, raakten we de weg kwijt en dit bracht ons een interessante ontmoeting. We passeerden een gebouwtje met een driehoekig grasveld langszij, vlak langs het fietspad zagen we een reusachtige paddenstoel, minstens een halve meter in doorsnee. Daar fietsen we niet zomaar voorbij. Op een bankje op het grasveld zaten een viertal mannen gezellig te buurten. Zij hadden de paddenstoel in drie weken, zien groeien van een heel klein plantje tot de reus de het nu was. Elke dag, als het weer het toeliet, kwamen die mannen naar dat bankje om de wereldproblemen te bespreken en, als het even kon, hier oplossingen voor te bedenken. “Wat is dat voor een gebouwtje?” vroeg ik. Het leek mij een boerderijtje, verbouwd tot buurthuis. “Dit is de boerderij van de gebroeders De Koning, drie broers en een zwager, verzetshelden uit de oorlog”, vertelden ons de mannen. Een verhaal dat nog altijd sterk leeft in de Heezese gemeenschap. Zij hoorden bij de verzetsgroep het “Huisven” en opereerden vanuit deze boerderij. De groep was heel actief in deze contreien. Ik was blij verrast, de reuze paddenstoel had ons in contact gebracht met het verhaal van de gebroeders De Koning. “Wij hebben in Best een straat naar deze broers genoemd”, ik wist wel ongeveer waarom, maar op de plek te zijn waar de jongens gewerkt, verraden, opgepakt en mishandeld waren, maakte diepe indruk op me. Een zo rustige plek in de bossen, ver weg van Eindhoven. Ik kan me voorstellen dat zij zich hier veilig voelden. Maar ze waren het niet. Ze zijn verraden en alle vier omgekomen, vermoord voor onze vrijheid. Ik bedankte de mannen voor hun verhaal.  De oorlog zit vol verhalen. “Jullie hebben toch ook zo’n verhaal in Best”, zei een van de mannen. Hij was van 1936 en had de oorlog bewust meegemaakt en was hier nog vaak mee bezig. “Over een Amerikaanse soldaat ging het dacht ik”, zei hij. Dit gaf mij de gelegenheid om het verhaal van Joe Mann, uitgebreid te vertellen. Hoe mensen in ons dorp nog steeds bezig zijn om deze verhalen levend te houden en de helden niet te vergeten. “We moeten wel voor donker thuis zijn hè”, maande Trees mij tot een beetje spoed. Na de mannen nog een goede nazomer gewenst te hebben en door hen op de goede weg gezet, vervolgden we onze fietstocht. Nog een drankje  bij Mie Pils en daarna via Eindhoven terug naar Best. Het was  weer een skonnen dag geweest.

Een bijzondere ontmoeting

Fietsend of wandelend in de natuur kom ik soms van alles tegen. Een bijzondere plant, een biddende torenvalk, zelfs een ree en af en toe een medemens die open staat voor een interessant gesprek. Dit overkwam mij een paar weken geleden op de Campina. Daar waar het schelpenpad een scherpe bocht maakt, staat een bankje uitnodigend klaar om mij wat rust te geven na een tochtje van  zo’n 20 kilometer. Het bankje is gedeeltelijk bezet, een man in zijn eentje, zit druk te telefoneren. Zal ik door fietsen, iets verder staat nog  een bankje. Ik doe het niet, een man op een hele bank, daar kan nog gemakkelijk iemand bij. Dat hij zit te bellen is wel een beetje gênant. In de trein is dit irritant, maar daar kun je er vaak niet omheen. Hier had dit wel gekund, maar ik doe het niet. De man ziet mij komen en knikt uitnodigend, hij voelt zich niet in zijn territorium aangetast, ondanks dat het gesprek een nogal intiem karakter heeft. Hij belt met zijn dochter die binnen enkele dagen moet bevallen, hij maakt zich hoorbaar meer zorgen dan zijn dochter. Het is zij, die opa gerust stelt en zegt dat alles goed gaat komen. Opa in spe hangt op en groet mij vriendelijk. Ik verontschuldig mij dat ik nogal brutaal in zijn privé sfeer ben binnen gedrongen, maar hij vindt dit geen enkel probleem. Waarschijnlijk had hij er in zijn eentje, al een hele fietstocht opzitten en was wel toe aan een beetje menselijk contact. We raakte in een geanimeerd gesprek. Meneer was geboren op de Veluwe en nu, met het ouder worden, hij ging binnenkort met pensioen, begon de geboortegrond steeds meer te trekken. Terug naar de Veluwe dat wilde hij niet maar hij was wel vaak op de Campina te vinden. Deze deed hem sterk denken aan de omgeving van zijn jonge jaren. “Jammer dat de heide zo aan het vergrassen is”, zei hij. Door deze uitspraak voelde ik mij meteen aangesproken als natuurgids en begon hem te vertellen over de successie van de heide. Nu de heide niet meer door de mens beheerd wordt en in dienst staat van de schapenhouderij en de potstalcultuur, is het onvermijdelijk dat het gras de overhand krijgt en de heide langzaam aan het verdwijnen is. De man vertelde mij dat hij econoom was met aandacht voor de leefomgeving. “Ho dan is wat ik vertel u wel bekend”. Nee dit was nieuw en hij luisterde met veel interesse en zo kwamen we van de potstalcultuur, de economie in harmonie met de natuur, op de economie van nu die minder harmonieus is.

Binnen de economie met aandacht voor de leefomgeving gaat het erom dat bij de berekening van de productiekosten de eventuele schade aan het milieu in deze kosten worden meegenomen. Nu gebeurt dit niet, met het gevolg dat de producten eigenlijk veel te goedkoop zijn en wij de werkelijke kosten later, in de vorm van milieuherstel, op ons bordje krijgen. Het is wel te hopen dat wij dat geld dan nog hebben, want het klinkt een beetje alsof we geld lenen om bv op vakantie te gaan en er dan over een paar jaar achter komen dat we geen beleg meer voor onze boterham kunnen kopen omdat we te veel rente moeten betalen voor de lening die dan nog steeds loopt. Ja, daar komt het zo ongeveer op neer.”En lukt het binnen uw vakgebied vooruitgang te boeken”, vroeg  ik. “Dat is moeilijk te meten, nog niet zo erg, denk ik”.  “Ik vlieg zo weinig mogelijk, fiets en rijd geen auto,” zei ik,  “maar of dat nu zoden aan de dijk zet, ik geloof het niet”. “Dat klopt wel een beetje”zei de econoom, ” maar misschien wordt het net als bij het roken, vroeger was roken bijna een must en rookten heel veel mensen, overal werden sigaretten gepresenteerd en je zou het niet in je hoofd halen roken af te keuren. Een aantal jaren geleden is er ineens een omslag gekomen en werden mensen zich massaal bewust van de schadelijke gevolgen van roken. Nu wordt er nog wel gerookt maar veel minder en wordt het als schadelijk ervaren. Misschien gebeurt dit ook met onze houding ten opzichten van de kosten van milieubederf en klimaatverandering.” Het werd tijd dat we verder fietsten. “Hoe is jou naam? vroeg de man tot slot, ik wil wel een keer met een IVN excursie mee wandelen als jij deze leidt.”  “Dat zou mooi zijn, zei ik, “tot ziens misschien en het beste met de bevalling van je dochter.” Met een blij gevoel fietste ik verder, mijn eigen weg en hij de zijne.

Hengel, een bijzondere kostganger

Planten, dieren en de mens, alle levensvormen in de natuur, leven van, door en voor elkaar. Ik sta hier niet iedere dag bij stil, maar toch, zo nu en dan, denk ik hier aan. Een levensvorm die mij al vanaf de eerste ontmoeting fascineert is die van de “halfparasieten”. Halfparasieten zijn planten die met  hun wortels, wortelen in de wortels of het hout van een andere plant. Zij hebben groene bladeren waarmee zij, onder invloed van het zonlicht, CO2 om kunnen zetten in zuurstof en suiker. Het water met daarin de benodigde bouwstoffen halen ze uit de wortels van hun gastplant.

Tijdens mijn opleiding tot natuurgids, nu al meer dan veertig jaar geleden, maakte ik kennis met Hengel, een vrij zeldzaam plantje, dat desondanks,  massaal op enkele plaatsen in Oost-Brabant voorkomt. Ik was meteen verknocht aan dit plantje. Het is tamelijk klein en ik vond het er ook wat kwetsbaar uitzien. Ik denk dat mijn sympathie voor het plantje komt doordat het maar een halfparasiet is en geen hele, want die zijn er ook. Hengel leeft weliswaar voor de helft op de zak van een ander, het zorgt wel zelf voor suiker. Wellicht laat het daar andere levensvormen van mee profiteren.  Voor een berkendoder, een zwam die een hele berk naar de filistijnen kan helpen, heb ik heel andere gevoelens.

Alle levende wezens leven van, door en voor elkaar, maar als dit van elkaar leven ten koste gaat van het leven of het welzijn van ander leven, is het moeilijk dit zomaar zonder oordeel of negatief gevoel te beschouwen. Altijd hoop ik bij het zien van een natuurfilm waarin een luipaard een weerloos hertje achtervolgt, dat het hertje het luipaard te slim af zal zijn. En toch weet ik dat als het luipaard het hertje niet te pakken krijgt, de schattige jonkies van het luipaard het niet zullen overleven. Maar kan dat beest dan niet gewoon gras eten?  Gelijk bedenk ik dat ik ook vegetariër kan worden, of in ieder geval veel minder vlees kan gaan eten.  Dit is reëler, heeft meer effect en veel meer kans van slagen. Dus toch maar weer eens een poging doen wat minder vlees te gaan eten.

Voor diegene die Hengel nu wel eens in levende lijve willen ontmoeten;, aan de Coehoornseweg in Oirschot vind je het in de berm aan de kant van het landgoed Heerenbeek. Het staat hier massaal van ongeveer juni tot… nu (nu is eind augustus).

Door tekenbeet, toch nog gedwongen naar Ongena.

Door alle medische informatie op internet en de tanende autoriteit van meneer of mevrouw de dokter, krijgt de mondige patiënt wel steeds meer eigen verantwoordelijkheid. Het was mijn keus om geen antibioticakuur te nemen na mijn tekenbeet van een paar weken geleden. Er was geen rode plek of kring rond de beet, dus volgens internet geen reden om medicijnen te slikken. Ik zou nauwkeurig in de gaten houden of er zich genoemde symptomen zouden voordoen de komende maanden. Dat ik drie weken door Nederland zou gaan fietsen, had ik in mijn overweging, geen preventieve kuur te nemen, niet mee genomen.Maandag 31 juli stapten Trees en ik, welgemoed, op de fiets voor onze eerste etappe. Iedere morgen, onderwierp ik de binnenkant van mijn knie aan een korte inspectie. Tot Bakhuizen, een kleine katholieke enclave met ongeveer duizend inwoners, in het zuiden van Friesland, ging alles goed, niets te zien, geen rode vlek, geen kring. We waren intussen acht dagen onderweg en al een flink aantal steden, dorpen en gehuchten gepasseerd. Tiengemeten, Den Haag, Haarlem, de Zaanse Schans en Monnickendam, om er maar een paar te noemen en al die tijd geen probleem. In Bakhuizen ging het mis, het was een beetje donker op het toilet, maar toch, de plek bij mijn knie was wat donkerder, een beetje rood. Dus toch, verdorie,  mis gegokt. Wat nu? In Bakhuis was geen apotheek of dokter. Ik besloot om in Drachten, onze volgende bestemming, mijn huisarts te bellen en een recept voor een antibioticakuur te vragen. De medicijnen kon ik dan in Drachten bij de apotheek ophalen en dan met de tiendaagse kuur beginnen. Dinsdagmiddag belde ik met de assistente, deze zou, zodra zij het faxnummer van de apotheker van mij ontvangen had, het recept door faxen. Intussen ging ik opzoek naar een apotheker. Midden in de stad vond ik er een, Ongena, was de naam, het kon niet toepasselijker, ik voelde me ongenadig afgestraft voor mijn eigenwijsheid. Toen ik opnieuw mijn huisarts belde kreeg ik te horen dat ik toch maar eerst een arts in Drachten moest bezoeken. Deze moest de situatie eerst bekijken en, indien nodig, een tiendaagse kuur voorschrijven, een tweedaagse preventieve, had nu geen zin meer. Na het doktersbezoek en met het recept in mijn zak ging ik naar apotheker Ongena. Hier kreeg ik samen met de medicijnen ook uitleg over het gebruik en de eventuele bijwerkingen. Kans op maag en darmproblemen, diarree en niet in de zon. Ik zag mij al fietsen door Drente, Overijssel, Gelderland en misschien nog een stukje Limburg, met een grote hoed op, lange broek en blouse met lange mouwen aan en om de tien kilometer met spoed de mais in gaan. Als mondige patiënt heb ik, in overleg met Trees, maar besloten onze vakantie voortijdig te beëindigen. Een week eerder dan gepland thuis gekomen, ben ik met mijn antibioticakuur begonnen. De gemiste week halen we in het naseizoen wel een keer in.

Teken zijn niet onze (natuur)vrienden

Mateloos kan ik me soms verwonderen over de wonderen in de natuur. Hoe alles leeft, samenleeft en overleeft. De koekoek, die haar ei legt in het nest van een ander, het winterkoninkje, dat alles  uit de kast haalt om dat dikke koekoeksjong te voeden en groot te brengen. In mijn omgang met  muggen en wespen ligt dit toch een beetje anders. Wespen hebben geweldig ingewikkelde facetogen, toch is dat niet het eerste waar ik aan denk wanneer ze mij, lekker onderuit op het terras zittend, komen belagen. Gek eigenlijk, of toch niet zo gek? Met teken is het helemaal oppassen. Ik ben niet allergisch voor wespensteken, maar voor de ziekte van  Lyme  ben ik, voor zover ik weet, niet immuun, dus hiermee blijft het uitkijken.  In Nederland worden ieder jaar 1.000.000 mensen gebeten door teken. Dat is veel, zeker als  je bedenkt dat de meeste teken in een groene omgeving voorkomen. Maandag 24 juli was ik aan de beurt, voor de eerste keer in mijn leven. Gezien de tijd, die ik in de natuur doorbreng, werd het tijd. Ik had s’ morgens  een wandeling gemaakt  in de Sonse Heide. s’Middags de goot van ons huis schoon gemaakt, die liep over vanwege een verstopte afvoer en de hoeveelheid regen die de afgelopen dagen gevallen is. Ik weet niet wanneer ik gebeten ben, of het in de heide was of toen ik op mijn ladder, door een struik die tegen het huis stond, mijzelf naar boven worstelde.  s’ Avonds voor het naar bed gaan, op het toilet, mijn gedachten slechts op een ding gericht, zag ik aan de binnenkant van mijn linkerknie een heel klein zwart plekje, het leek een korstje, overgebleven van een klein wondje. Dat was het niet, ik voelde er aan, het plekje ging op en neer en rolde een beetje onder mijn vinger. Foute boel dacht ik meteen, een teek. Ik raakte niet meteen in paniek, maar van enige onrust kun je toch wel spreken. Ik haalde er een loepje bij om de zaak nader te onderzoeken, want  met het blote oog kon ik niet zien wat het was. En ja hoor, onder de loep was het heel duidelijk. Het was intussen rond 12 uur, de tijd drong, de teek zat zeker 10 uur in de binnenkant van mijn knie, hij of zij moest eruit en wel zo snel mogelijk. De beste manier, wist ik uit ervaring, is met een scherp pincet, zo laag mogelijk bij de kop de teek vast pakken en recht omhoog eruit trekken, dan is de kans dat er pootjes of iets dergelijks achterblijven, het kleinst. Zo gedaan, de teek kwam  er in zijn geheel uit en ik haalde opgelucht adem. Nu nog 3 maanden in de gaten houden of er geen rode vlek of kring om de beet ontstaat. Als dit gebeurt is er sprake van besmetting en is een penicillinekuur noodzakelijk. Dinsdagmorgen inspecteerde ik de beet, was er een rode vlek, of een kring te zien?  Ik vertrouwde mijn eigen ogen niet, en belde toch maar even met de huisarts. De assistente haalde er het protocol bij en, ja hoor, een preventieve penicillinekuur van 2 dagen was de richtlijn. Ik zag intussen geen rode plek meer en een beetje eigenwijs als ik ben, wil toch nog even afwachten, ik heb de datum van de beet genoteerd op de kalender en ga goed in de gaten houden of er iets gaat kleuren, of dat er een kring gaat verschijnen aan de binnenkant van mijn knie. Ik heb al een goede plaats voor een dagelijkse inspectie op het oog.

Korstmossen, samenwerking in de natuur

De natuur is vol verrassingen. Ik kan me nog herinneren dat ik voor het eerst grijsgroen mos zag en er achter probeerde te komen hoe dit mos heette. Moeilijk, mossen zijn sowieso al moeilijk. Gelukkig zijn er altijd mede IVNers die hun kennis graag willen delen. Kostmos is geen mos maar een korstmos. en toen kwam het, nooit meer vergeten, een symbiose van een wier en een schimmel. Korstmos is dus niet één plant, maar twee, een samenstelling  , een samenstelling waarbij alle delen voordeel hebben van  hun samengaan. Dat is niet bij alle samenlevingen, er zijn ook parasitaire samenlevingen. Daarbij is ene levensvorm in het voordeel en het andere in het nadeel, een gaat er zelfs  vaak aan dood, bijvoorbeeld bij een aantal zwammen die op bomen leven. Bij het korstmos is dit niet zo. Hier zorgt de schimmel, door dood biologisch materiaal af te breken tot mineralen, voor voeding voor het wier. Het wier levert het dood biologisch materiaal dat regelmatig afsterft. Het wier, welk chlorofyl bezit, kan koolstof assimileren en hier door suiker maken. Dit heeft het wier, samen met de mineralen, geleverd door de schimmeldraden, nodig om te leven. Ingewikkeld verhaal en om het te zien heb je een microscoop nodig.  Het korstmos ontwikkeld sporen om zich voort te planten. Deze ontwikkelen zich in de rode knopjes aan de uiteinden van de stengeltjes waaruit het korstmos bestaat. Het is echt een plantje om onder een loepje op je gemak te bekijken. Heel mooi, vreemd en erg de moeite waard