De eerste Klaproos

Vorige week vrijdag bloeide zij, onze eerste klaproos in ons serre-tuintje en vandaag, drie dagen na het in bloei komen, laat zij haar eerste bloemblaadjes vallen. Ik ben benieuwd of er morgen weer een nieuwe bloeit, want daar reken ik wel op.

Ons huis heeft een serre. Vijfentwintig jaar geleden hebben Trees, mijn vrouw en ik deze eigenhandig gebouwd. Van het uitgraven en storten van de fundering, tot het metselen van de onderlaag en het plaatsen van de, zelf gefabriceerde spantjes en het leggen van de kunststof dakplaatjes. Nu genieten we elk voor- en najaar, tijdens ons ontbijt en lunch, van het prachtige uitzicht dat we hebben op onze tuin. Achterin de struiken en boompjes, in het midden het gazon met madeliefjes en wat bloemen en vooraan, net aan de andere kant van het glas, een mooi wild tuintje. Dit deel van onze tuin zorgt ieder jaar voor de meeste verrassingen. Schoffelen en onkruid plukken doen we hier niet. De natuur kan hier nog zijn gang gaan en dat doet ze dan ook. Tussen alle wilde flora in ons tuintje vallen de papvers het meeste op. Vorig jaar hebben we vijf maanden van deze prachtige bloemen mogen genieten. De eerste klaproos deed mij dit jaar net iets meer dan vorig jaar. Het lijkt alsof deze klaproos mij wat wilde zeggen, iets dat ik al wist maar waar toch even wat meer nadruk op gelegd moest worden. Het zit zo, denk ik.

Naast mijn belangstelling voor de natuur, verdiep ik mij al een tijdje ook in het oorlogsverleden van Best en omgeving. Daarom schrijf ik zo nu en dan een stukje voor het Erfgoedblad van onze heemkunde vereniging. Mijn stukjes gaan over de verzetsmensen waarnaar in Best straten genoemd zijn. Ik vind het belangrijk dat de herinnering aan wat er tussen 1940 en 1945 gebeurd is, levend blijft. Ook de mensen die ons bevrijdt hebben mogen niet vergeten worden. In februari is er bij het museum, Bevrijdende Vleugels, aan de Sonseweg een monument onthuld voor de bemanning van twee Lancaster vliegtuigen, die hier in 1945 tegen elkaar gevlogen zijn en waarvan de hele bemanning op een persoon na, verongelukt zijn. Tijdens deze onthullingceremonie werd er door een van de Engelse genodigde een klaproos, een Poppy, bij het monumentje gelegd. Op dat moment was ik weer even terug in Ieper, in België. Negen jaar geleden, net gepensioneerd, maakten Trees en ik een fietstocht door Vlaanderen en deden ook de Westhoek aan. Willem Vermandere, zingt hier een prachtig lied over, “overal zai hier de oorlog were vinde”. Nou dat is zo. Duizenden jonge mannen, gesneuveld voor een hoop modder en slijk, kerkhoven vol. In Ieper kun je iedere avond een herdenking meemaken, waar de last post gespeeld wordt voor een groot aantal aanwezigen. Hier ontmoetten wij een oude man, die zijn kleindochter de plek wilde laten zien waar zijn vader gesneuveld was. De tranen stonden in zijn ogen. Hij vertelde ons over de Poppy, hoe deze op de puinhopen van het kapot geschoten land, stonden te bloeien, als teken van hoop en onoverwinnelijkheid van het leven. Mooi en treurig om aan terug te denken. Een heel waardevolle herinnering.

De wereld in rep en roer

We waren nog helemaal in de ban van de stikstofcrisis toen de nieuwe crisis zich aandiende. Crisissen kunnen we maar een tegelijk aan, dus de stikstofcrisis met boze boeren en verontruste aannemers en bouwers krijgt even geen aandacht. Terecht, corona is heel ernstig en gaat letterlijk over leven en dood. Dat gaat de stikstofcrisis en de co2 uitstoot uiteraard ook, maar minder zichtbaar en dit wordt ook niet duidelijk in overvolle ic afdelingen in ziekenhuizen en sociale distantie is ook niet echt nodig om de opwarming van de aarde af te remmen. De luchtverontreiniging richt zich met haar dodelijk venijn ook niet specifiek op de oudere en zwakke. Natuurlijk hebben deze categorieën hier ook onevenredig veel last van, maar dit wordt en werd niet in grafieken en cijfers, avond aan avond op de televisie gepresenteerd. Door alle maatregelen om de coronacrisis te beteugelen is de lucht in grote delen van de wereld, zichtbaar verbeterd. Er gaan zelfs berichten rond in de media dat het aantal minder doden door de schonere lucht, het aantal coronaslachtoffers, verre overtreft. Maar ja, zo mag je natuurlijk niet tellen. Een aantal mensenlevens is geen som van optellen en aftrekken.

Toch blijf ik hier steeds aan denken. Is dit een tic van mij? Al vanaf mijn jeugd maak ik me druk om de aftakeling van de natuur. Ik fietste rond in ons Brabantse land en zag het landschap verkavelen, de megastallen uit de grond rijzen, de gier over het land stromen, het gif over de akkers en gewassen vernevelen. Mensen kregen Q-koorts, varkens en kippen werden massaal geruimd. Nergens kun je nog een uur fietsen zonder een snelweg over of onderdoor te moeten. Een sombere opsomming en dat in een tijd dat we worstelen met een virus die alle leven in de wereld bedreigd. Moet ik me nu, daar druk over maken? En toch doe ik het.

Als ik mijn leven overzie, zo rond mijn 73e levensjaar, is er veel verbeterd, dat besef ik maar al te goed. Niet voor iedereen, want als gepensioneerd schuldhulpverlener heb ik aardig wat ellende gezien, maar toch, voor veel van ons is het leven goed. Tot mijn 12e jaar bestond het leven van onze ouders voornamelijk uit werken. Om zes uur in de morgen stond mijn vader tot zijn kruis in het natte suikerbietenblad om de bieten uit de zware klei te steken. Als hij geen bieten stak, dorsten hij gerst of tarwe of stak aardappelen, tot vijf uur in de middag. Na het avondeten nog snel een paar uren naar de uien om die schoon te houden, te plukken of te oogsten. Voor mijn moeder en oudste zus was het anders, maar niet veel lichter. Een huishouden met tien personen gaf niet veel tijd om kruiswoordpuzzels te maken of een romannetje te lezen.

Na mijn 12e jaar veranderde het leven in een verrassend snel tempo. De landbouw mechaniseerden, de landarbeiders werden gedwongen ander werk te zoeken. Geen seizoenarbeid meer maar een vaste baan in de havens of droogdokken van Rotterdam. Ze moesten nog wel om vijf uur in de morgen op den hoek staan om met de bus naar hun werk vervoerd te worden en ze waren ook pas om zeven uur in de avond thuis. Maar niet meer de hele dag met een kromme rug in weer en wind, in het land. Het loon dat verdiend werd was ook stukken hoger dan in de landbouw. De boeren van Flakkee waren niet zo gul. Al snel kon je de eerste nieuwe fietsen en bromfietsen bij de mensen voor de deur zien staan. Ik vergeet het nooit meer, met wel tien jongens verdrongen we ons om die prachtige machines die arbeiders zomaar konden kopen. Nou ja, zo maar, er moest natuurlijk wel even voor gespaard worden. Dit was het begin. In de huizen kwamen bankstellen en tv toestellen te staan en hier en daar schafte men zelfs een telefoon aan. Ongekende weelde.

Zo kan ik nog wel even doorgaan tot we in 2020 zijn aangeland. Er is echt heel veel verbeterd. Maar we zijn denk ik met zijn allen iets vergeten. Een ding dat we vergeten zijn is dat we de welvaart die we nu hebben voor een deel op de pof hebben. De prijs is niet helemaal betaald. De lucht die we vervuilen wordt niet schoon gemaakt. Het gif op onze groente maakt ons ziek, naar dat vindt je niet terug in de kosten van deze groente. De wegen die het land verkavelen, ontnemen de dieren hun leefgebied, maar dit wordt niet gecompenseerd. De producten en diensten die wij gebruiken kosten veel meer dan wij er voor betalen. Het gevolg is dat de natuur en ook wij met de rotzooi blijven zitten.

Deze coronacrisis brengt een heleboel publiciteit op gang. Talloze berichten worden over en weer aan elkaar doorgestuurd. Gelukkig zitten tussen deze berichten veel geluiden zoals ik hier boven weergeef. Ik hoop dat deze crisis duidelijk gaat maken dat we het roer om moeten gooien. Hoe? Ik heb niet de pretentie te denken dat ik dit weet. Maar ik wil wel graag mee denken, want dat het anders moet, weet ik wel.

Onze tuin komt opnieuw tot leven.

(Na een lange tijd van afwezigheid.)

In juli 2018 ging er een epidemie door onze tuinen. Honderden Buxus legden het loodje. Het was een troosteloze aanblik, al die dode heggetjes. Nu, bijna twee jaar later, zijn de heggetjes weer terug, niet de zelfde, geen Buxus, maar toch, mooie frisse plantjes. De Buxus plantten wij met stekjes van de buren een eindje verder in de straat. Weken waren we in de weer met water geven om de wortelloze stekjes te helpen overleven. Dat was meer dan 30 jaar geleden. Onze financiën, maar ook onze instelling zetten ons aan om op deze manier onze tuin in te richten. Nu, jaren later, jaren ouder en niet meer zoveel jaren voor de boeg als toen, hebben we meer financiën en minder tijd om wortelloze stekjes te koesteren. We kozen daarom voor plantjes in potjes met wortels die sneller resultaat hebben. Vorige week donderdag gingen we aan het werk. De paadjes werden uitgezet met behulp van touw en piketjes. Geultjes spitten en compost in de aarde om de plantjes een goede start te geven. Tegen de avond was de eerste cirkel in het midden van onze tuin geplant.

Toen sloeg een andere epidemie toe, althans daar was ik bang voor. Na het avond eten begon mijn neus vol te lopen en kwam de hoofdpijn op zetten. De voortgang van de tuinaanleg kwam voor mij in gevaar, dat besefte ik. Daarbij kwam de dreiging uit China en Italië steeds dichter bij. corona!! Het zal toch geen corona zijn. De klachten waren heel herkenbaar, ik had hier meer last van gehad. Ieder jaar ben ik wel enkele keren snotverkouden en kan dan niet inslaap komen omdat ik geen lucht krijg door een verstopte neus. Met een doorgesnede ui op een bordje ging ik om tien uur naar bed. De andere ochtend moest ik het planten van onze heggetjes aan Trees over laten. Zaterdagmiddag was het karwei geklaard. De tuin zag er weer prachtig uit. Dat vonden ook al die voorbijgangers, die ons huis passeerden. Ik hield mijn hart vast, bang dat Trees besmet zou worden door al die eventuele corona patiënten. Gelukkig, we zijn nu al weer een week verder en Trees geeft nog geen teken van verkoudheid, griep of corona laten zien. Dit ondanks dat ik haar al wel honderd keer had kunnen besmette. Gelukkig bleek mijn verkoudheid of lichte griep geen corona. Ik knap al weer aardig op.

Intussen is Nederland in de ban van corona. Sinds onze heggetjes er staan, groeit het aantal besmettingen en zijn er al veel doden te betreuren. Vooral Brabant wordt zwaar getroffen. De Carnaval zou hier een oorzaak van kunnen zijn. De kranten staan er vol van en op radio en tv gaat het bijna nergens anders over. Scholen sluiten, openbaar vervoer rijdt bijna leeg rond, winkels en bedrijven draaien op een laag pitje en de horica en het cultureel leven liggen helemaal stil. Lege straten en mensen die in een boogje om elkaar heen lopen. De minimale afstand om elkaar te benaderen is 1,50 meter. Alle sport- en vrijetijdsactiviteiten zijn afgelast. Het is allemaal heel onwerkelijk en niemand weet hoe dit gaat aflopen.

De epidemie die onze Buxus het loodje deed leggen ligt al weer een hele tijd achter ons. Nu ziet onze tuin er weer prachtig uit en zal deze zomer nog mooier worden. Deze epidemie is aardig overwonnen. Hoelang we nog zullen knokken met corona weten we niet. Wat we er van zullen leren en hoe ons leven er over, zeg maar twee jaar, uit zal zien, zullen we zien.

De droogte voorbij???

Terwijl de boeren nog kreunen en steunen over de verloren oogst krabbelt de natuur hier en daar weer overeind. Wandelend door de Vleut zie ik het groen de plaats in nemen van de gele bermen en weiden. Wat gaat dat snel. De buien zijn nog maar net gevallen en over ons gazon ontwikkeld zich een groene gloed, veroorzaakt door ontelbaar dunne groene grassprietjes. Ook de hitte van vorige week heeft plaats gemaakt voor een fris weertje (het is half acht als ik dit ervaar) en geeft nieuwe energie en zin om in beweging te komen.

De wilde natuur, als vlekken tussen ons cultuurlandschap, blijkt veel veerkrachtiger dan onze landbouwgewassen. De dieren hebben het even moeilijk gehad maar doen zich nu al weer te goed aan fris groen. De boeren doen er langer over om de geleden schade te verwerken.

Onze buxus leggen het loodje

Dertig jaar geleden besloten wij, de drie bewoners van de “Hokkelhoeve”, gelegen aan de, toen nog,  Hokkelstraat, ( nu Hulst) , om onze voortuin als één tuin te gaan aanleggen. Ons huis was een geheel, dus onze tuin moest dit ook worden. Het grondpatroon werd drie cirkels verbonden door paadjes, omzoomd met buxusheggetjes. Het was in de tijd dat de buxus in opkomst waren. Ieder normaal mens zou in dit geval naar een tuincentrum gegaan zijn en de benodigde buxusstruikjes gekocht hebben. Wij niet, zelfvoorzienend als wij waren, of waarnaar wij streefden, hadden we in de buurt al verschillende tuinen gezien waar de buxus weelderig tierden. Deze moesten bij tijd en wijlen geknipt worden, wisten wij, en dan kwamen er een heleboel stekjes beschikbaar. Toen een van onze, wat verdere buren de buxus ging knippen, boden wij aan de rommel op te ruimen en mee te nemen. Dat was goed. Met een volle kruiwagen stekjes gingen wij huiswaarts. De stekjes werden gesorteerd op grote en bruikbaarheid en vervolgens geplant in de uitgezette patronen. Toen begon het echte werk pas. Iedere avond water geven en de stekjes die het niet haalden vervangen uit de voorraad die we in de achtertuin hadden gezet. Maanden zijn we er liefdevol mee bezig geweest. Ik had vanaf het begin zo mijn twijfels bij het hele experiment, maar dit bleek onterecht. De buxus groeiden niet hard maar bleven in leven en voldeden aan onze verwachting.

Maar  nu, na dertig jaar zorg  en toewijding, voltrekt zich een ramp over onze heggetjes. Net als in heel veel andere tuinen werden onze buxus in het voorjaar kaalgevreten door de buxusrups. Op veel plaatsen zagen wij de schop de grond in gaan en de buxus in de kliko belanden. Andere tuinliefhebbers grepen naar de gifspuit. Voor ons, doorwinterde IVNers, was spuiten geen optie en rigoureuze dumping in de kliko ook niet. We hadden in de beginjaren wel meer dorre tijden gekend. Nee, onze strategie was,  we wachten rustig af, het leven is sterker dan de dood en de door de stippelmot  kaalgevreten struiken in onze broekbossen, zijn het jaar daarop ook weer uitgeschoten. Onze hoop op een nieuw leven voor onze buxus was niet ijdel, hier en daar kwamen al wat groene blaadjes te voorschijn. Een paar weken geleden werd deze hoop  definitief de grond in geslagen. De temperatuur liep op en er wilde maar geen regen vallen. De verwachtingen voor de komende weken zijn niet best. Nu staan onze buxus erbij als in de woestijn, dor en doods. En toch,, bij het maken van bovenstaande foto, voelde ik dat de takjes aan de voet nog veerkrachtig waren niet helemaal uitgedroogd en dood. Wie weet, is er toch nog hoop voor onze buxus die met zoveel liefde en toewijding zijn grootgebracht. Volgend voorjaar zullen we het weten.

Kabouter Kwebbel ontdekt het licht

In de bossen tussen het Boshuys en het Oud Meer kun je, wanneer je geluk hebt, kabouters ontmoeten. Dit geluk had ik enkele dagen geleden. Ik ontmoeten hier een kabouter en deze vertelde mij het volgende verhaal:

Het was rond 1645, mijn betovergrootvader, kabouter Kwebbel, lag lekker op zijn rug in het warme najaarszonnetje. Hij mijmerde over de naderende winter, de kortere dagen en de koude lange nachten. Hij zou dan weer lange tijd vroeg naar bed moeten want zonder licht waren het vervelende avonden. Kwebbel hield niet van de winter.

Plotseling hoorde Kwebbel een doordringend gezoem. Wat zou dat zijn, het leken wel bijen of hommels, maar dan een hele boel. Kwebbel besloot op onderzoek uit te gaan, want hij was een heel nieuwsgierige en ondernemende kabouter. Toen hij in de richting liep van waar het geluid kwam, schrok hij heel erg. De heide stond in brand en het vuur liep, voortgedreven door de stevige wind, in een flink tempo vooruit, een zwart geblakerde vlakte achter zich latend. Midden in het vuur stond een grote boom met net onder de takken een hol. In dit hol was een bijennest, hier rondom gonsden een grote zwerm bijen. Door de hitte van het vuur was de honing en de was in het hol aan het smelten en droop deze uit het hol, langs de stam naar beneden. Gelukkig trok het vuur verder en nam de hitte, door het het koelen van de druk fladderende bijen, snel af. De bijen gingen het nest weer in om te redden wat er te redden viel.

Kwebbel keek aandachtig rond. Wat gebeurden hier allemaal? Onder aan de boom had de gesmolten was een hoopje gevormd en midden in het hoopje was stak een stukje boombast omhoog. Overal rondom de boom was het vuur al gedoofd maar het stukje bast branden nog. Het branden maar het verbranden niet, de was werd wel minder. Kwebbel vond dit allemaal heel fascinerend, hier wilde hij meer van weten. Hij verzamelde zoveel was als hij kon en nam dit mee naar zijn huisje. Hij smolt de was en goot dit in een kopje. Omdat de boombast toch niet zo geschikt was als lontje, ging hij experimenteren met allerlei andere materialen. Een paar draadjes uit zijn trui, opgedraaid gras en de kern van de pitrus, een plant die op drassige grond in de buurt groeide. Het resultaat van het experimenteren werd steeds beter en na een paar weken had Kwebbel een prima kaars ontwikkeld. Nu kon hij in de winter langer opblijven en lekker lezen, bij zijn lustig snorrende kacheltje, met een pijpje in zijn mond.

Mais

Hoe komen we toch aan al die mais

De mais schiet op dit moment als paddenstoelen de grond uit. Vorige week zag ik een veld waar de spruiten ongeveer vijf centimeter boven de grond uitstaken, nu zijn dit er al meer dan tien. Op al mijn fietstochten door het Brabantse land rondom Best zien we maisvelden in overvloed. Het stemt mij niet erg blij, deze massa’s mais. Ik weet nog dat er in deze contorijen aardappelen, bieten en graan geteeld werden. De boerderijen waren toen nog gemengde bedrijven waar koeien, varkens en kippen gehouden werden. Ook de landbouw had in het gemengd bedrijf een voorname plaats. Langzaamaan kwam er een verandering op gang. Boeren gingen specialiseren. Kippenhokken werden omgebouwd tot varkensstallen of afgebroken om plaats te maken voor nieuwe kippen- varkens- of koeienstallen. Boerenzoons, die aanvankelijk geen plaats op de boerderij hadden en de bouw in gingen, bouwden in hun vrije tijd een bescheiden varkensstal en hadden er op deze manier een kostwinning bij. Sommige, zo gestarte nieuwe parttime boeren, breiden al snel uit en groeide naar grote stallen van honderden varkens. Al snel deden zich de eerste problemen voor. Waar bleef men met de overvloed aan drijfmest. Geen enkel gewas was instaat dit te behappen. Mais bleek een plant die jaar op jaar een grote hoeveelheid mest kon verwerken. Het leverde gelijk een goed voedsel voor de melkveehouderij, die in het kielzog van de varkensbranche, sterk kon uitbreiden.

Nu, zo’n vijftig jaar later, zitten we naast de monocultuur aan grasland, en een grote hoeveelheid mest waar we geen weg mee weten, met een landschap waar de mais een overheersende plaats inneemt.

Het is een beetje gemakkelijk nu heel hard te gaan roepen dat we van die mais, dat grasland, die varkenshokken en koeienstallen af moeten. Zo gemakkelijk is dit niet. We hebben een ontwikkeling doorgemaakt waarvan maar weinig mensen zagen dat dit niet goed af ging aflopen. Nu komen de, met deze ontwikkeling, samenhangende gevolgen wel heel bedreigend op ons af. Met name de afnamen van het aantal insecten schijnt veel mensen zorgen te baren. Hier en daar zijn er boeren die overschakelen op meer biologische landbouw en de natuurbeschermings-organisaties proberen d.m.v. het creëren van natuurgebieden te redden wat er te redden valt. Gelijk wordt er op deze manier gewerkt aan meer bewustzijn van de nood waarin de natuur verkeerd. Ik wil het plezier van jullie fietstochten door ons, nog steeds mooie Brabantse land niet verpesten, maar hoop dat dit stukje jullie kijk op de mais die je onderweg voorbij fietst, toch een beetje verandert. Niet alle groen is goed voor ons milieu.

Ontmoetingen in mei

Mijn stukjes gaan vaak over ontmoetingen. Ontmoeten is een rode draad door het leven van ons allen en ik wens iedereen toe hier net zoveel van te genieten als ik dit doe. Ontmoeten, hoeft niet, het woord  zegt het zelf al. “Ont-moeten, niet moeten, niets moet”. Het gebeurd dan ook meestal zonder dat je hier iets voor doe. Vaak, maar niet altijd, je kan er ook op uit zijn, het ontmoeten een beetje helpen. Dat overkomt mij ook, zo nu en dan. Sommige tijden van het jaar zijn beter voor ontmoetingen dan andere. De zomer en de lente b.v. zijn beter dan de winter. Je komt meer buiten en blijf ook gemakkelijker staan. Mei is voor mij de meest ontmoetingsvolle tijd. Het lijkt alsof ik dan meer behoefte heb om te praten, om gedachten en gevoelens te delen. 1 Mei begint het al, “de dag van de arbeid”, allerlei gedachten vliegen dan door mijn hoofd. Sint Jozef, de timmerman, Stalin, ontmaskert als een vreselijke massamoordenaar, maar voor veel arbeiders in de beginjaren van het communisme, een held, de rijke boeren van Flakkee, die mijn opa en vader uitknepen en in de richting van het socialisme dreven. Dan komt 4 en 5 mei, herdenking en bevrijding van een vreselijke oorlog. Ik heb hem gelukkig persoonlijk niet meegemaakt, maar geboren in 1946, de invloed hier van wel degelijk gevoeld. Op 4 mei stonden we met een groot aantal bestenaren bij het kruispark om te gedenken en ons voor te nemen: “nooit meer oorlog”. Zondag 15 mei fietsten mijn vrouw en ik over het fietspad van de Sonse weg, richting Joe Mann theater.  Ter hoogte van de Schietbaan,  staat het herdenkingsmonument van kolonel Cole, gesneuveld tijdens de luchtlanding van de 101 airborne divisie op 18 september. Bij dat monument stond een motorrijder, met zwaar bepakte motor, in gedachten naar het monumen te kijken. Wij waren al voorbij gefietst, toen mijn vrouw vroeg, “moet je niet afstappen”, ze weet dat ik het maar moeilijk laten kan, mensen die ik tegen kom te vertellen over wat er om ons heen te zien is. Ik vond het zelf ook al vreemd dat ik niet gestopt was. Maar beter ten halve gekeerd, dus wij draaiden om en begonnen een gesprek met de beschouwer van de herinnering aan kolonel Cole. De motorrijder, een engelsman, was op tocht door Brabant om het spoor van de 101 Airborne divisie te volgen. Hij had hier een boek over gelezen en wilde de plaatsen waar de acties  hadden plaatsgevonden, bezoeken. Hij was verrast door ons  gesprek en de verhalen die ik hem kon vertellen over hoe wij in Best met onze oorlogshelden omgingen. De sportclubs die naar hen genoemd waren, het Joe Mann theater en paviljoen, het museum, Bevrijdende vleugels. Hij was erg blij dit uit de mond van een bestenaar te horen en ik was blij hem dit te kunnen vertellen. Een mooie en waardevolle ontmoeting, die bijna  niet doorgegaan was.

Het wordt lente, een erotische ontmoeting

Een enkele keer krijg ik de opmerking dat mijn stukjes, zo nu en dan een erotische ondertoon hebben. Dat is mogelijk. De betekenis van een tekst vormt zich tussen de tekst en de lezer, de schrijver heeft hier nooit het laatste woord. Als het de meeste lezers tot nu toe is ontgaan, is dit misschien een reden mijn stukjes nog eens over te lezen.

Vanmiddag was mijn ontmoeting echter wel onmiskenbaar erotisch. Ik maakte een wandelingetje in de Paljaart, een mooi natuurgebied ten noorden van Best, waar edelherten zijn uitgezet. Ik hoopte de edelherten te zien, het was nog tamelijk vroeg maar je weet nooit. Overal zag ik verse sporen in de lemige grond, maar de herten lieten zich niet zien. Inspannend rond speurend had ik niet veel aandacht voor het pad waar ik liep. Uit mijn ooghoeken dacht ik een blad over het pad te zien dwarrelen, maar dit blad had haast en sloeg over de kop. Nu ik mijn blik beter op de grond richtte bleek het geen blad te zijn dat daar dwarrelde maar een forse bruine kikker. Sinds kort ben ik de enthousiaste bezitter van een smartphone dus ik zou deze kikker, als voorbode van de nu toch wel definitief doorgebroken lente, vastleggen op de gevoelige plaat. Regel een van de natuurfotografie  is: “fotografeer op ooghoogte van het object”, dus ik, met enige moeite, op mijn knieën. Toen ik de foto bekeek en wat inzoomde werd ik andermaal geconfronteerd met het ouder worden. Mijn ogen zijn niet meer wat ze waren, het bleek niet een kikker te zijn die ik gefotografeerd had maar twee. Weliswaar stevig verstrengeld, aaneen gesmeed en verbonden, om met de dichter te spreken. Samen waren ze op weg naar de poel die een eindje van het pad, in het bos lag. Hij zal het vrouwtje niet loslaten voor zij haar eitjes in het water heeft afgezet en hij zijn sperma over haar eitjes heeft uitgestort. De op deze manier bevruchtte eitjes moeten het vervolgens alleen zien te redden. Papa en mamma gaan weer hun eigen weg en de eitjes ontwikkelen zich tot dikkopjes en vervolgens tot kleine kikkertjes. Na een of twee jaar zijn deze kleine kikkertjes volwassen en klaar om te paren en het voortplantingsgebeuren voor te zetten.

Afscheid van mijn geliefde Esdoorn

Een paar weken geleden hebben we afscheid moeten nemen van onze geliefde esdoorn. Ongeveer 25 jaar hebben we genoten van zijn, steeds groeiende schaduw en zijn robuuste  body. In de begin jaren 80 van de vorige eeuw kreeg ik hem, toen nog een jong boompje, zomaar spontaan uit het zaad van zijn ouders opgegroeid, van Noud Aartsen. Noud was in die tijd net terug uit Ierland en probeerde in Nederland een doorstart te maken als fotograaf. Ik hielp hem, samen met vader Herman, een tijdelijke woning te plaatsen in de tuin van zijn ouders. Gelijkertijd was ik bezig met de aanleg van onze tuin in de Hokkelstraat. Met een fietskar vol jonge boompjes uit de tuin van Noud, fietste ik over de Klaverhoekse weg naar huis, blij met het jonge aanplantmateriaal.

Tuinlieden dienen een vooruitziende blik te hebben, ik zeg dienen. Maar in de praktijk is dit niet altijd zo. Regelmatig groeien de bomen tot in de hemel, hoewel dit niet de bedoeling is. Of over de heg bij de buren, wat ook niet de bedoeling is. Zelfs zover dat er een rijdende rechter aan te pas moet  komen. Het komt ook voor dat de gemeente als mediator op moet treden om de tegenstellingen in de buurt niet te laten escaleren. Wij in de Hulst kunnen hierover meepraten.

Onze esdoorn was in de eerste 20 jaar van zijn bestaan geen probleem voor mijn buurman Leo. Tenminste ik heb hem hier nooit over gehoord. Maar met het groeien van de wortels en de schaduw en de steeds groter hoeveelheid zaad dat onze esdoorn produceerde, was het mijn vrouw Trees, die Leo zo nu en dan hoorde zeggen dat, die boom wat hem betrof wel wat kleiner mocht of zelfs helemaal mocht verdwijnen. Ik kon mij dit maar nauwelijks voorstellen en besteedde daarom weinig aandacht aan deze signalen. Wat je niet graag hoort komt meestal ook moeilijk door. Leo werd ziek en wij gingen hem daarom wat meer bezoeken. Tijdens deze bezoekjes kwam het probleem van onze boom meer nadrukkelijker aan de orde. De wortels groeiden in de vijver en tot in het terras. Dit kon niet, dus we moesten er iets aan doen. Snoeien, opperde ik. Het zou kunnen maar wat blijft er dan over en hoe reageert de boom hier op? Nee, laten we het maar rigoureus aanpakken, de boom gaat er uit, met pijn in mijn hart. We spraken af dat de boom in het voorjaar gerooid zou worden en dit is een paar weken geleden dan ook gebeurd. Leo heeft het, jammer genoeg niet mee mogen maken, eind november vorig jaar overleed hij, 88 jaar oud. We zijn nu dus een mooie boom en een aardige buurman kwijt.

1 Februari 65 jaar na de ramp

Dit verhaal  past niet helemaal in mijn blog over de natuur, al gaat het wel over natuurgeweld. Het is mijn verhaal over hoe ik als kind de watersnoodramp van 1953 meemaakte.
Ik was zes en een half jaar toen de ramp het leven voor mij op Flakkee drastisch veranderde. Voor die tijd was ik – en dat gold voor de meeste jonge kinderen uit Achthuizen – nooit van het eiland weggeweest. Na de ramp was de wereld plotseling veel groter geworden. Ik ontdekte dat er bossen en vennen waren, grote dorpen en steden met heel veel mensen. Ik maakte kennis met een klooster annex een grote wasserij en een kruidentuin, met nonnen en fraters, een spoorlijn, waar je moest wachten voor de spoorbomen, als er treinen langs kwamen. Ik zag op de zoveel drukkere en bredere wegen de vele auto’s langs razen. Hoe anders was dat op ons eiland. Door het gedwongen verblijf in Oisterwijk, de plaats, waar we geëvacueerd waren, veranderde ons levensgevoel, maar eenmaal terug op Flakkee kwam het oude gevoel van beslotenheid en isolement weer terug.

Door de mechanisatie in de landbouw en het gebruik van bestrijdingsmiddelen nam de werkgelegenheid in de landbouw sterk af. De mensen uit ons dorp moesten elders werk gaan zoeken. Velen vonden dat in Rotterdam in de havens en in het Botlekgebied, waar tientallen pijpleidingen werden aangelegd. Nederland was zo kort na de Tweede Wereldoorlog volop bezig met de bouw van huizen, de aanleg van wegen en de ontwikkeling van de industrie. Op de akkers op het eiland, waar je vroeger tientallen arbeiders uien zag wieden en aardappels rooien, reden nu machines rond die het werk deden. Nog maar enkele arbeiders waren bij dit werk betrokken. Aanvankelijk deden die machines het werk lang niet zo grondig als eerder de arbeiders, maar geleidelijk verbeterde de techniek en nam het rendement van het machinegebruik toe.  

Zaterdag 31 januari 1953 woei er een hevige storm over het eiland. Je kon bijna niet over de dijk lopen. Het was koud en guur. ‘s Avonds gingen er al verhalen rond over de vloed die niet terug liep, en ook waren sommige mensen bang dat het water wel eens over de dijk heen zou kunnen lopen. Achthuizen ligt in een binnenpolder, en tussen de buitendijk langs Haringvliet, Krammer en Volkerak en het dorp liggen nog een paar binnendijken. De kans dat Achthuizen onder water zou lopen bij een dijkdoorbraak was niet zo groot als in de omringende dorpen. Iedereen ging, weliswaar wat ongerust, maar niet al te bang naar bed. Wat er echter die nacht gebeurde, was onvoorstelbaar. In het verleden zijn er vele overstromingen geweest, maar omdat niemand van de bevolking er ooit eentje had meegemaakt, dacht men dat die nu niet meer voorkwamen. De ramp was dan ook een complete verrassing voor de gehele eilandbevolking. Toch moeten er mensen zijn geweest, die wisten, dat een gebeurtenis als deze tot de mogelijkheden behoorde. Die kennis zal niet bij iedereen aanwezig zijn geweest, maar toch zeker bij hen die op de hoogte waren van het effect dat storm en water bij stormvloed kan veroorzaken. Bij mijn weten is er echter geen enkele waarschuwing uitgegaan voor wat zou kunnen gebeuren. Voortekenen moeten er volop geweest zijn, maar ik herinner me in dat kader alleen maar het verhaaltje, dat de hazen de dijken hadden opgezocht.  

De hele zondagnacht stormde het vreselijk en wij lagen in bed te luisteren naar de wind. ’s Morgens begon de dag als iedere andere zondagmorgen. Mijn zus Hennie ging om half acht naar de vroegmis en kwam gehaast terug met de mededeling, dat het water tot boven in de sloten stond en dat het nog steeds verder steeg. Het kwam al over de rand. Op de Nieuwbouw, zoals het wijkje waar wij woonden werd genoemd, liepen de mensen bij elkaar naar binnen om te overleggen wat er gedaan moest worden. Wat er zou kunnen gebeuren, was een vraag die niemand op dat moment goed kon beantwoorden. Op een gegeven moment gingen mensen dingen naar de zolder slepen. Mijn vader en mijn grote broers, Geert en Kees, zeulden de grote pekelton, gevuld met het vlees van het in het najaar geslachte varken, vanuit de kelder naar de zolder. Wij, de kleintjes, liepen er verloren bij. Waar mijn moeder was, weet ik niet meer. Me vasthoudend aan de rok van Antje IJpelaar ben ik naar de dijk gelopen. Antje was een al wat groter buurmeisje dat altijd probeerde, mij daarmee een beetje plagend, een zoentje te geven. We moesten al een heel eind door het water baggeren. Op de dijk aangekomen zijn we naar opa Brands gegaan. Ik weet niet wie nog meer bij mij waren. Misschien heeft Antje me daar gebracht. Het kan ook zijn dat er nog meer van ons gezin gelijk met mij naar de dijk gegaan zijn. Voor mijn gevoel kwam ik in mijn eentje bij opa aan. Een groot aantal familieleden zat al in het kleine kamertje. Door het raam keken we naar het nog steeds wassende water. De hele Galathese polder tegenover opa’s huis stond blank. De afrasteringen van de weilanden waren niet meer te zien. Een koe die los uit de stal de wei in gelopen was, zat vast in het weiland. Zij stond voor de draad en kon geen kant meer op. Na een tijdje zagen we haar niet meer. Ze was ondergegaan in het water.Afbeeldingsresultaat voor watersloot ramp 1953

Zo nu en dan gingen mensen uit huis de dijk op om koeien naar een veiligere plek te drijven. Ook werden deze gemolken, want melk was het enige dat we nog konden drinken. De waterleiding had het begeven en het drinkwater was geïnfiltreerd met zeewater. Op de dijk was het moeilijk voor de mensen om zich staande te houden. De wind gierde langs je oren. Tegen de middag werd het wat minder, maar ‘s avonds wakkerde de wind weer aan. De Molendijk op Den Bommel en de Tilsedijk in Zuidzijde waren ook doorgebroken. Aan de achterkant van opa’s huisje liep de Bommelse polder helemaal vol. We waren nu volledig ingesloten. Halverwege de middag stonden we met een aantal mensen, onder wie ook kleine kinderen, op de dijk naar deze zee te kijken. De wind was wat afgezwakt. Plotseling was er paniek. Ellie van tante Bet was in het water gevallen en dreef weg van de dijk. Gelukkig bleef ze in een aalbesbosje hangen, waar ze snel uitgehaald werd.

Het huisje van opa Brands op de dijk zat stampvol familie. Om beurten mochten we in de bedstee slapen. Dat gaf een veilig gevoel. Vanachter de gordijntjes door de kieren keken we de drukbevolkte kamer in en luisterden we naar wat daar besproken werd. Er was geen water, geen gas en geen elektriciteit. De kachel brandde op kolen die uit de schuur onder aan de dijk, net op tijd nog, naar het droge gebracht waren. Het vroor niet, maar de gure wind zorgde er voor dat de temperatuur tegen het vriespunt aan liep. 

Zondagavond nam de wind weer in hevigheid toe en werd er gevreesd voor nog meer dijkdoorbraken. Het water was bij de op de vloed volgende eb niet veel terug gelopen en steeg bij de nieuwe vloed nog verder. De storm bulderde weer over het eiland. Maandag verliep de dag in bang afwachten. Er was nog geen hulp van buiten gekomen en de mensen probeerden er van te maken wat er van te maken was. Gaten dichten in de dijken was onbegonnen werk. Koeien werden in veiligheid gebracht en ook werden er nog mensen uit de polder gehaald. Het gerucht ging dat alle honden en katten moesten worden afgemaakt, dit om besmettelijke ziekten te voorkomen. Dit gaf een hoop gedoe. Er waren boeren die, met het jachtgeweer in de hand, de politieman die belast was met het afmaken van de honden, probeerden te beletten om zijn taak uit te voeren. Een enkele hond is zo in leven gebleven, maar uiteindelijk gaf men, onder druk van het gezag en de argumenten, toe en werden de huisdieren allemaal doodgeschoten. Otto-Liesje, een oude onderwijzeres ‘van de overkant’, werkzaam aan de Openbare school in de Langstraat, zat nog in haar huisje op de Nieuwbouw. Ze was naar de slaapkamer boven gevlucht. Dat werd pas op maandag ontdekt. Als bijna de enige andersdenkende in het dorp – zij was protestant – had ze weinig contact met de buren. Onder veel protest is ze met haar katten uit huis gehaald en met een roeibootje naar de dijk gebracht. De katten moesten worden afgemaakt. Hoe erg ze dit vond liet ze duidelijk blijken. De Achthuizenaren konden voor haar houding in de ontstane situatie echter weinig begrip opbrengen. Zo sentimenteel werd er niet met katten omgegaan. Een hond verliezen, ja dat was jammer, maar een kat, daar zeurde je niet over.

Later op maandagmiddag kwam de hulpverlening van buiten op gang en gingen we iets merken van georganiseerde acties. We zagen helikopters van de Sabena overvliegen. Eentje, door de harde wind in moeilijkheden gebracht, moest in Achthuizen een noodlanding maken. Met deze helikopters zijn op het eiland, vooral in Oude Tonge, veel mensen van de daken gehaald. Later kwamen er ook amfibievaartuigen over de dijk en door de polder naar Achthuizen. De plaatselijke overheid probeerde door gerichte maatregelen sturing te geven aan wat er te doen stond in deze totaal nieuwe en verschrikkelijk moeilijke situatie.

Bij de hulpverlening ging er wel iets meer mis. Op 10 februari 1953 zou een Engelse Sikorsky-helikopter hulpgoederen brengen in Achthuizen voor de mensen die niet geëvacueerd hoefden te worden. De piloot wilde landen in de buurt van het Lesje, ongeveer ter hoogte van het huisje van mijn opa Brands, maar enkele seconden voor de landing blies een windvlaag het toestel van de dijk. De helikopter was total loss. De piloot kwam er met een nat pak vanaf.

Veel bekijks trok dit toch spectaculaire ongeluk niet, want op dat moment waren vrijwel alle mensen in Achthuizen al geëvacueerd. Alles was kapot, veel huizen waren voorlopig onbewoonbaar, besmettelijke ziekten dreigden. Winkels konden niet worden bevoorraad, normaal verkeer was niet meer mogelijk. De dijken moesten eerst gedicht, en ook andere herstelwerken moesten op grote schaal worden uitgevoerd. Op het eiland blijven was geen optie. Toch riep de evacuatie hier en daar protest op, vooral bij jonge mannen. Boekhouders en kantoorpersoneel kwamen ‘van de overkant’ om te werken aan de dijken, en jonge stevige kerels die gewend waren van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de klei te staan, moesten van het eiland af. Mijn broer Geert vond het heel erg, dat hij niet terug mocht om te helpen. Hij heeft wel geprobeerd om toestemming daarvoor te krijgen.

Woensdagmiddag op de vierde dag van de watersnood mochten wij vertrekken. Met een platte wagen met een tractor ervoor werden we naar Sluishaven gebracht.  Toen we Sluishaven tot op een kilometer genaderd waren, moesten we allemaal van de wagen en met de bagage die we bij ons hadden het laatste stuk te voet afleggen. Vlak voor de haven was een groot gat in de dijk geslagen. Over dit gat had men met balken een provisorische brug geslagen. Hier moesten wij overheen. Het was doodgriezelig. Onder de balken zag je het water door het gat in de dijk kolken. De boot lag op ons te wachten. De storm was al een paar dagen voorbij. De overtocht verliep dan ook gladjes. Op Dintelsas stonden bussen klaar om ons verder het land in te brengen. West-Brabant stond ook blank, maar het water stond hier niet zo hoog als in Achthuizen. De chauffeur moest zijn bus heel voorzichtig door de weliswaar ondiepe, maar levensgevaarlijke binnenzee sturen. De bomenrijen langs de ondergelopen wegen dienden als bakens die ervoor zorgden dat hij niet in de ondergelopen sloten reed. We leken op het Joodse volk, zich een weg banend door de Rode Zee, maar dan zonder donder en geweld en opstaande muren van water. Ik werd tijdens de rit volledig in beslag genomen door wat er om mij heen gebeurde en wat ik allemaal zag: rijden door het water, boerderijen die met hun dak net boven het water uitstaken, lange rijen bomen die ons de weg wezen. Ik vond het allemaal geweldig fascinerend. Ik heb mijn ervaringen later nooit echt kunnen delen met mensen die dit ook moeten hebben meegemaakt, vandaar dat ik hier een poging doe dit alles alsnog te vertellen. Ik weet niet meer waar tijdens de reis mijn familie was, mijn vader en moeder, mijn broers en zusters. Ze waren ongetwijfeld ook in de bus, maar ik heb daar geen enkele herinnering aan. Ik kan me ook niet herinneren dat we daar later met elkaar over gesproken hebben. 

De bus bracht ons naar een opvangplaats. Ik heb altijd gedacht dat die in Breda was, maar het was in de veehal van Den Bosch. Het was daar erg druk. Overal zag ik mensen met wat schamele bagage en bange onzekere gezichten. Van mijn moeder en mijn zusjes heb ik een foto. Ze zitten bij een tafeltje, waar een ober een kopje koffie serveert. Aan mijn moeder worden vragen gesteld door een man in een regenjas, een journalist. Ik sta zelf niet op deze foto, maar ik herinner me nog de mooie, jonge vrouw die bij hem is. Zij probeert mijn moeder gerust te stellen, maar die reageert daar niet zo op. Ze kijkt enigszins wezenloos en bang om zich heen, haar man zoekend die buiten beeld vlakbij haar staat. Op de vragen van de journalist lijkt ze niet te reageren. Ze heeft mijn zusje Rietje op schoot. Mijn grote zus Hennie heeft zich over Corrie ontfermd. 

In de ruimte waar we verbleven waren tafels vol met kleren, schoenen en speelgoed. We hadden geen andere kleren dan die we aan hadden en waren blij om hier van alles uit te mogen zoeken. Tussen de bergen textiel vond ik iets dat speciaal mijn aandacht trok, een soort overall voor in bed met voetjes er aan. Het was een hansopje, vertelden ze me later. Dit kindernachtpakje zou een belangrijke rol gaan spelen in de eerste dagen van onze evacuatie. 

Het was al stikdonker toen we weer de bus in moesten om verder te gaan, ik had geen idee waarheen. We reden door een stad. Dat zag ik aan de neonreclame. Ik had het nooit eerder gezien. Ik hoorde rinkelende bellen. Daarna reden we over een spoorwegovergang en stopten een eindje verder voor een groot gebouwencomplex, het nonnenklooster in Orthen bij Den Bosch. Hier zouden we voorlopig blijven. De eerste avond zagen we niet veel van de gebouwen en de omgeving. We moesten naar bed. Waar iedereen was, blijft voor mij weer een groot raadsel. Ik stond op een grote zolder met spanten en balken, planken vloer en dakbeschot. De zolder was ingedeeld in kleine ruimtes door middel van gordijnen en schermen. In de zo ingerichte kleine ruimtes stonden stapelbedden. Ik kreeg een bed toegewezen. Hier kon ik slapen. Er zou op me gepast worden, denk ik. Ben ik bang geweest, zo alleen op die grote zolder, nog maar net iets ouder dan mijn kleinzoontje Daan nu, jonger dan Sofie? Ik weet het niet, maar ik denk het wel. Ik plaste nog regelmatig in mijn bed. Het was koud, februari, er zal geen centrale verwarming geweest zijn. Alsof de voorzienigheid daarvoor gezorgd had, kwam nu mijn hansopje van pas. Onder de dekens, helemaal daarin opgesloten, vond ik de rust, de veiligheid en de warmte die ik nodig had om in slaap te komen. Mijn voeten, omsloten door de sokjes die geen einde leken te hebben en helemaal tot mijn nek gingen, gaven mij zo’n gevoel van veiligheid, dat ik dit nu nog na kan voelen. Later toen ik groot was en dingen moest doen, waar ik bang voor was of die ik spannend en moeilijk vond, voelde ik in mijn voeten, als in een déjà vu, de rust en het vertrouwen om te doen wat te doen stond.

In het klooster kregen we brood met gekleurde hagelslag en worst. We mochten in de tuin de planten water geven met een zinken gieter. De nonnen werkten in de moestuin en wij hielpen hen met allerlei karwijtjes. Het klooster had ook een wasserij met grote wasketels en mangels om het water uit het wasgoed te wringen. Ook stonden er grote strijkmachines. Deze leken op mangels, grote rollen die tegen elkaar indraaiden en het wasgoed zo glad als een aal persten. De was, gehaald en teruggebracht door kleine vrachtwagentjes, kwam van hotels en bedrijven. De evacués hielpen mee in het klooster waar ze konden, ook in de wasserij. 

Behalve ons gezin waren ook de gezinnen van tante Bet en dat van Kaat de Waal, buren van ons in Achthuizen, in het klooster ondergebracht. Tussen moeder en Kaat boterde het niet zo. Ze konden in Achthuizen al niet met elkaar opschieten, en nu ze in een kleine ruimte gedwongen samen waren, ging het helemaal niet. Er ontstond al gauw ruzie over het schoonmaken van de badkamer. Eén van de kinderen had in bad gepoept en dit was niet opgeruimd door de ouder. Er zullen nog wel meer ruzies geweest zijn. Op een bepaald moment ging het niet meer en werd er besloten dat ons gezin en dat van tante Bet weg moesten uit het klooster. Wij werden overgebracht naar de Staalberg in Oisterwijk. Dat was een vakantiekamp met nieuwe houten huisjes. Deze waren nog niet gebruikt en nog maar net klaar. Ieder gezin kreeg een huisje. De gaarkeuken was voor algemeen gebruik. Daar moesten we ons warm eten gaan halen. Ik zie me nog staan met mijn pannetje om de aardappels en de groente in te doen.

De Staalberg lag ongeveer drie kilometer van de school. We gingen er te voet naar toe, eerst door een dennenbos langs vennen met zwanen er in, dan langs het hertenkamp en via een verharde weg naar het dorp. De school, waar fraters de scepter zwaaiden, lag niet ver van het spoor. In Achthuizen had ik nooit een bos of ven gezien.Voor mij was de omgeving totaal nieuw. Alles leek hier ontzettend groot en ik voelde me een heel klein jongetje onder die grote dikke bomen.

Na vier maanden waren de polders rond Achthuizen weer droog. Pa, Geert, Hennie en Kees konden naar huis om de boel schoon te maken. Er lag een dikke laag slik op de vloer. Overal lag wrakhout en het was een vreselijke rotzooi. Na een tijdje mochten ook wij naar huis. 

Overal op het eiland, op de dammen over de sloten naar het akkerland, lagen grote hopen gips. Dit werd uitgestrooid over het land om het zout, dat door het zeewater in het land gekomen was, uit de grond te trekken. Het eerste jaar werd er niet geoogst. Het land werd ingezaaid met lupine, wikke en klaver. Gewassen die de grond weer gezond moesten maken. Na verloop van tijd nam het leven weer zijn normale gang. Over de ramp werd niet veel meer gesproken. In Achthuizen hadden de mensen ook niet zo veel geleden als in de omliggende dorpen. Er waren bij ons geen doden te betreuren. Wel was er veel materiële schade. Van alle kanten kwam hulp om het leed en het verlies goed te maken. Uit Oostenrijk, Zweden en Canada kwamen complete huizen van hout, een flink aantal hiervan is nu nog steeds in gebruik. Ook werden er pakketten met gereedschap uitgedeeld. Deze kwamen van het rode Kruis. Hamer, nijptang, sleutels, schroevendraaiers, schop, riek en schoffel. Ik zie het allemaal nog zo voor me, een kleine bijl, een hakmes en een grote bijl.

De dijken en polders lagen bezaaid met wrakhout, achter op de plaats werd door een grote vrachtauto een flinke lading hout gestort. Dit werd kapot gezaagd voor de kachel. Het meeste hout kwam uit de dorpen uit de buurt. Vooral Oude Tonge was zwaar getroffen. Ik heb de ravage zelf nooit gezien, ik was nog te jong om zo ver van huis te gaan, maar van foto’s en later van wat mijn zus vertelde, wist ik dat het verschrikkelijk geweest is. Toen wij terug op Flakkee kwamen stonden nog enkele polders onder water. Met de telefoonpalen die langs de dijken lagen, maakten we een vlot waarmee we de, onder water staande, polder op vaarden. Voor ons, jongetjes, was het een spannende tijd. Ik had het gevoel dat niemand op ons letten en wij ongestoord onze gang konden gaan. Overal werd gewerkt om de schade te herstellen. Ik herinner me dat er dikke pijpleidingen vanuit de polder, over de dijk naar het buitenwater liepen. Met grote pompen werd door deze leidingen het water uit de polder weer terug in het Volkerak gepompt. Met netten of iets wat daar op leek, probeerden wij de vis die met het water mee kwam, te vangen.

Het leven kreeg na verloop van tijd weer zijn oude loop. In 1956 hebben we nog een keer flink in onze rats gezeten toen er weer een zeer zware storm over het eiland woei. Rond 1958 zagen wij, toen we zwommen in het Haringvliet, in de verte, richting Ooltgensplaat en Willemstad, de eerste contouren van het opgespoten zand dat Hellegatsplein moest worden. De dam die Flakkee met dit plein moest verbinden werd vanaf Flakkee opgespoten en wij waren maar wat nieuwsgierig naar de machtige machines die hier aan het werk waren. Het was levensgevaarlijke om te dicht in de buurt van het opgespoten zand te komen want het vers opgespoten zand was lange tijd drijfzand, waar je in weg kon zakken.

In 1960, net voordat Flakkee uit zijn insolent was bevrijd, vertrok ons gezin van ons eiland, naar Best. Door de snelle mechanisatie in de landbouw en het werken met verdelgingsmiddelen, was er nog maar weinig werk voor de landarbeiders en pendelden veel mannen iedere dag naar Rotterdam om in de havens en droogdokken te werken. Mijn vader had hier weinig zin. Hij was toen 53 jaar en had een zwakke rug. Door bemiddeling van zijn broer, die al in Best woonde konden wij een huis krijgen en bij de Bata gaan werken. Mijn vader heeft het land nooit gemist, hij wist niet hoe gemakkelijk hij het had in de fabriek bij Bata. Geen kou, geen regen, geen ijzel op het suikerbietenblad, geen kloven in de ongeschoeide handen, geen pijn in zijn rug en maar doorgaan. Nee, voor pa was Best prima. Ik miste Flakkee in het begin erg. Net nog geen 14 en nog graag spelend en zwervend door de polders en over het gors. In Best hoefde ik nog maar een paar maanden naar de basisschool en daarna ging ik naar de Bataopleiding voor machinaal schoenmaker. De hele dag in een, niet zo fris ruikende fabriek, in een overal achter allerlei machines. Dit was mijn nieuwe leven.

We trekken een wissel

Een paar jaar geleden is het langvengebied, dat ligt in de noordoost-hoek gevormd door het kanaal en de A2 snelweg in Best, ontdaan van een groot aantal vliegdennen. Ook is de bodem van een deel van het gebied afgeplagd tot op de grijze podzolgrond. Met deze beheermaatregel hoopt men de waterstand in de vennen op een hoger peil te brengen. De bomen trekken veel water uit de grond, dat anders in de vennen zou worden opgevangen, was de redenatie. Of dit door het kappen van de bomen ook werkelijk zal gebeuren is nog niet duidelijk, er worden regelmatig metingen verricht die dit moeten aantonen. Voor het droog houden van de A2, die vlakbij de grond in gaat, moet veel water weggepompt worden. Hierdoor daalt de waterstand in de omgeving en dit heeft uiteraard effect op het omringend gebied.

Ook als het rooien van de bomen geen effect heeft op de waterstand is het toch goed dat dit gebeurd is. Het langvengebied is een klein restant van de grote stille heide, zoals wij die tot begin 1900 nog kenden. Dit gebied van ongeveer vijf kilometer breed, liep van Turnhout tot in de Peel en was een onmisbare schakel in de toenmalige landbouwmethode, de potstalcultuur. De heide was graasgrond voor de schapen, leverancier van plaggen, mest en nog veel meer producten. Door het afplaggen en begrazen bleef de heide eeuwen lang in stand. Met de komst van de kunstmest werd de heidegrond overbodig en gebruikt voor andere doeleinden zoals bosbouw, en stadsuitbreiding. Slechts hier en daar ligt nog een klein stukje geschiedenis, meestal op natte grond die ongeschikt was voor “ontwikkeling”.

Met het ontdoen van vliegdennen en het afplaggen van de heide, brengen we het gebied weer een beetje in de staat van vroeger. Interessant is te zien hoe algen, mossen en uiteindelijk jonge heide de kale grond weer gaan kolonialiseren. De successie, opeenvolging van verschillende ontwikkelingsstadia van plantengroei, is hier goed te volgen. Je moet wel wat geduld hebben want de natuur heeft alle tijd.

Met het afplaggen van de hoge en al oude heide, zijn ook hele stukken van de paden, die door dit gebied lopen, weggeschoven. Wanneer ik het gebied in trok om te zien wat er allemaal aan de gang was voelde ik me wat verward, waar moet ik lopen, het was alsof ik over een kale akker liep. Ik zocht naar oriëntatiepunten en voelde me weer een beetje thuis als ik het restant van een oud pad vond. Nu, na enkele jaren, zie je nieuwe stukjes pad ontstaan die de oude paden weer aan elkaar verbinden. Ook dit is weer een interessant gegeven, nieuwe paden die ontstaan, daar waar mensen gaan. Waar dieren dit doen spreken we van “een wissel”. Wanneer mensen een “wissel trekken”bedoelen we toch wat anders. Misschien trekken we met de beheermaatregelen die het langvengebied weer wat mooier maken,  een wissel op de toekomst.

Een voorboden van de Lente

We zitten nog midden in de winter, ook al is dit aan de temperatuur niet te merken. Het kan nog alle kanten op, het is nog lang geen lente. Toch bereidt de natuur zich al weer voor op het komende seizoen. De temperatuur hoeft maar een paar dagen wat hoger te zijn en de eerste tekenen van de naderende lente kondigen zich al aan. Ieder jaar is het weer een sport om het eerste vrouwelijke hazelaarbloempje te ontdekken. Zodra ik de mannelijke katjes langer en dikker zie worden weet ik dat het vrouwelijke katje in de buurt moet zijn. Ik kan geen hazelaar meer voorbij rijden zonder af te stappen en de takken af te speuren naar het kleine rode bloempje, dat na bevruchting de hazelnoot zal gaan vormen. Prachtig hoe deze struik weet dat het snel moet zijn. Afhankelijk van de wind voor de bestuiving, moet het in bloei zijn voor de bladeren aan de bomen in zijn omgeving uitlopen en daardoor de bestuiving gaan bemoeilijken en zelfs kunnen verhinderen. In de herfst van het vorige jaar heeft de hazelaar de eerste aanzet voor de mannelijke katjes en de blad- en bloemknoppen al gevormd.P1090840 Het bladgroen wordt uit de bladeren die later zullen worden afgeworpen, terug getrokken en in de knoppen voor het volgend jaar opgeslagen. Aan  de knoppen is nog niet te zien of het blad- of bloemknoppen zijn. De mannelijke katjes zijn duidelijk te herkennen. Ze zijn kort en heel compact. Door de hoge concentratie aan mineralen in de katjes en knoppen zijn deze bestand tegen vorst in de winter  en zullen ze niet bevriezen. Het grootste risico om te bevriezen lopen de katjes wanneer ze, door tijdelijk hogere temperaturen, te vroeg uitlopen. Dit komt vaak voor, vooral als we een zachte januari hebben en een koude februari of maart.

Vanmorgen vond ik mijn eerste vrouwelijke katje. In de Scheeken, wandelend in de hoop edelherten te zien, zag ik langs de sloot, goed beschut in de luwte van een grote populier, een hazelaar, boordevol hangende stuifmeelkatjes. Ik tikte tegen een van de katjes en een volkje geel stuifmeel dwarrelde door de lucht. Op een van de bovenliggende  knoppen zag ik het kleine rode bloempje. Altijd weer een mooi moment, ieder jaar bijna het zelfde maar toch altijd weer mooi. De lente komt, ook al duurt het nog even.

Opgejaagd wild

Op maandagmorgen wandelen Trees, mijn vrouw en ik, voor ons plezier maar ook om de conditie op peil te houden, door de bossen rond het Joe Mann natuurtheater. Afgelopen maandag was ik alleen. Als je alleen bent zie en hoor je meer.  De dieren die hier rondlopen en vliegen hebben je ook minder in de gaten en laten zich daarom gemakkelijker zien. Plotseling sprongen er twee reeën, vlak voor mij, met opgestoken staartje, het pad over. Ik was blij verrast weer eens reeën te zien, maar vond het toch vreemd, rond elf uur deze dieren door bos te zien rennen. Meestal doen ze dit niet, reeën  zijn nachtdieren en foerageren `s avonds en `s nachts, ze liggen overdag in dekking. Ze zullen opgeschrikt zijn dacht ik. Meteen daarop zag ik een middelgrote jachthond het pad oversteken en met zijn neus laag aan de grond, het spoor van de reeën volgen. Er was nergens een baasje te zien, de hond was waarschijnlijk op de reeën gestoten en de baas had daarop de hond niet meer onder controle. De baas zou wel ergens lopen te zoeken en hoopte natuurlijk dat zijn hond terug komt wanneer deze inzag dat hij de reeën niet in kon halen.

Toch is er hier iets heel vervelends aan de hand. Het is in onze natuurgebieden niet toegestaan honden los te laten rondlopen, niet omdat de honden en de baas dit niet gegund wordt, maar omdat honden het wild verstoren. Reeën moeten overdag rusten en als deze vaak worden opgedreven raken ze gestrest. Zeker als ze drachtig zijn is dit voor deze dieren heel vervelend. Een aantal maanden geleden zijn er in de Scheeken, een gebied tussen Best en Liempd, dertien edelherten uitgezet. Dit is gedaan om de biodiversiteit in onze natuur te vergroten. Reeën hebben net als alle andere dieren, die zelfde functie. Zij zorgen voor een grotere variëteit aan biotopen, die elk weer zijn eigen specifieke planten en insectenwereld hebben. In deze tijd waarin het milieu zeer serieus bedreigd wordt mogen we hier niet te  licht over denken.

De manier waarop wij tegenwoordig met onze dieren omgaan is anders dan vroeger. In mijn jeugd was een hond een hond en niet bijna een kindje waar je mee naar de dokter  en naar de kapper ging. Hij kreeg ook wel eens een trap als hij in de weg lag. Gelukkig doen we dit niet meer met onze huisdieren, we zijn veel aardiger voor hen dan vroeger. Dieren hebben  rechten en we dienen goed voor hen te zorgen. Maar de dieren in het bos hebben ook rechten. Het is hun leefgebied, dat door al die loslopende honden ernstig verstoord wordt. Vroeger kon je, wanneer je in de natuur rondliep, aangesproken worden door een natuurwachter, een vrijwilliger die hier voor was aangesteld. Wij, natuurgidsen van  het IVN, hebben een andere taak. wij nemen mensen mee de natuur in en hopen dat ze daar door, hier meer van gaan houden. Misschien wordt het tijd dat we ook de taak van de oude natuurwachter weer op ons gaan nemen.

De foto van de ree heb ik geleend van Lou van de Aa

 

 

 

Mijn liefde voor de polder

Tot mijn veertiende jaar woonde ik op Over Flakkee, Dit was toen nog een eiland. Mijn wereld had een actieradius van een paar kilometer in de rondte, een kleine wereld. Maar als ik in de polder stond had mijn wereld een enorme weidsheid. Zij strekte zich naar alle richtingen uit zo ver als ik kijken kon. De lucht kwam tot aan de grond, nergens was een obstakel voor mijn ogen. Dit beeld doet mij denken aan het wereldbeeld dat de mensen hadden voor men wist dat de aarde rond was. Voor hen was de aarde plat, zo stond het ook in de Bijbel. God scheidde de wateren in het water onder, in de zeeën en meren en in het water boven, het blauw van onze lucht. Als een kaasstolp stond het hemelgewelf over de platte aarde en liet het regenen door luikjes in het gewelf te openen. Wij, op Flakkee konden ons dat heel goed voorstellen, het beantwoorden helemaal aan  hoe wij de aarde waarnamen, een platte pannenkoek met een hemel die van horizon naar horizon over ons heen gespannen stond. Wij konden er ook niet af, want het Haringvliet en het Volkerak lagen om ons heen. Het is misschien wel hierom dat de mensen in deze streek zo bijbelvast zijn. De beelden uit de ruimte, die overduidelijk laten zien dat de aarde echt rond is en los door de ruimte zweeft, was voor veel gelovige uit onze contreien een enorme schok. Voor katholieken in Brabant is het maar moeilijk te begrijpen dat van deze kwestie zo’n punt gemaakt werd. Als Flakkeeër, met liefde voor de vlakke uitgestrekte polder met zijn weidse luchten begrijp ik mijn gereformeerde medemens wel een beetje en als, nu toch wel aardig geïntegreerde Brabander, snap ik ook dat Brabanders veel minder moeite hadden met de nieuwe inzichten. In de eerste plaats lazen katholieken de Bijbel niet, dus meer dan de helft wist niet dat hier in stond dat de aarde plat was. Het nieuwe inzicht dat de aarde rond is, leverde hen daarom dan ook weinig of geen gewetensnood op. Lopend door bossen  en glooiende heidevelden, zie je niet dat de aarde plat zou kunnen zijn, voor Brabanders is daarom een ronde aarde veel gemakkelijker voorstelbaar. Nu ik dit weet probeer ik niet meer om Brabanders liefde voor de polder bij te brengen, dit lukt maar bij een enkeling, je moet daar geboren zijn. Liefde voor de Brabantse heide en bossen neem je veel gemakkelijker over, waarom? ik weet het niet, misschien wel omdat de aarde echt wel rond is.

 

Paddenstoelen… fascinerend.

Heeft u wel eens met een kind in de herfst door het bos gelopen? Bijna zeker is er dan gezocht naar de rood met witte stippen paddenstoel, de vliegenzwam. Paddenstoelen zijn fascinerende planten, mysterieus, mystiek bijna, niet alleen voor kinderen, ook voor volwassenen, vroeger en ook nu nog. Je kan dit terug vinden in de naamgeving en in de woorden die gebruikt worden met betrekking tot deze plantengroep. Neem het woord “paddenstoel”, vrij vertaald hebben we het hier dan over de stoelen van padden. Padden stonden vroeger symbool voor dood en wellust, welke de vergankelijkheid van de mens aanduid. De paddenstoel is er vandaag en morgen kan zij al weer verdwenen zijn, zo ook de mens die zich aan de wellust overgeeft, de dood volgt snel. De al eerder genoemde vliegenzwam dankt zijn naam aan de hallucinerende werking van het rode vlies dat zijn hoed omspant. Door het innemen van dit goedje, gedrenkt in water, zie je ze vliegen en betreed je de geestelijke wereld. Een moderne variant hierop vormen de paddo’s. Dan hebben we de minder bekende stinkzwam, een paddenstoel met een vreselijke aaslucht, verspreid door de kop van het fallisachtige vruchtlichaam waar de sporen van de plant gevormd worden. Vliegen die op de aaslucht afkomen nemen de kleverige sporen aan hun poten mee en laten deze andere plaatsen weer achter. Zodoende helpt de vlieg mee aan de voortplanting van de stinkzwam. De stinkzwam wordt geboren uit een duivelsei, in razend tempo richt hij zich op uit dit ei, met de stank die hij verspreidt, echt het werk van de duivel. We weten allemaal dat de heksen vooral in de herfst actief zijn. ‘s Nachts, in het helse donker, verborgen voor het oog van de brave burgers en buitenlui, dansen zij hun heksendansen. Maar toch blijft deze niet onopgemerkt, een heksenkring markeert de cirkel van hun duivelse dans. Ga je de volgende dag terug met de pastoor om de duivel te verjagen, is er vaak geen kring meer te vinden, ook de heksenkring heeft een kortstondig leven. Dit geloof hield stand tot in de negentiende eeuw, toen werd ontdekt dat de heksenkring gevormd werd door paddenstoelen die de vruchtlichamen zijn van een zwamvlok in de bodem. De paddenstoelen groeien aan de rand van de zwamvlok, deze wordt ieder jaar groter en vormt zo een steeds groter wordende kring, de heksenkring. Paddenstoelen blijven ons fascineren en hopelijk niet alleen om hun mysterieuze verhalen, want we hebben ze hard nodig. Zij werken misschien niet meer zoals we vroeger geloofde, maar ze werken wel voor ons. Ze houden onze bodem gezond, ze zorgen in het verborgene van de aarde voor de omzetting van biologisch afval in mineralen, de voeding voor het nieuwe leven in de komende lente. Laten we van ze genieten, ze dankbaar zijn en ze laten staan, tot ze vanzelf verdwijnen want ze leven maar kort.

De herfst is er al

Wij hebben een prachtig klimaat, lente, zomer, herfst en winter. Ik moest er een aantal jaren geleden niet aan denken dat we in een klimaatzone zouden wonen met maar een seizoen, alleen maar zomer, altijd zon. Dit leek mij vreselijk saai, ik hield van het wisselen der seizoenen, van wind, regen, mist, sneeuw en zon. Nu ik zelf in de herfst van mijn leven begin te komen verandert mijn liefde voor de seizoenen. Het meest hou ik nu van de zomer, regen, wind en mist begin ik steeds meer als ongemak en last te ervaren. 

De herfst stemt mij tot nadenken, er gebeuren bijzondere dingen in de natuur, er is zoveel te zien. De lente en de zomer hebben gezorgd voor een overvloed aan nieuw leven en aan voedsel en nu moet dit leven de winter door zien te komen. De herfst is de voorbereiding hier op. Zoogdieren leggen een vetlaag  aan, sommige een voorraadje voedsel en trekvogels maken zich op voor de trek naar warmere streken. Planten trekken zich terug tot een rozet vlak aan de bodem en schuilen in elkaars nabijheid. Zaden zijn verspreid en wachten op het ontkiemen in de volgende lente. De bomen die straks in de winter, kaal en koud in het landschap staan, zien er in de herfst prachtig uit in al hun kleuren. Zij kunnen zich niet klein maken en moeten in heel hun omvang de winter door, dat is een hele klus. Zij hebben daar een vernuftig mechanisme voor ontwikkeld. Nu het herfst is kleuren de bladeren, dit komt omdat het bladgroen, nodig voor het omzetten van koolstof en zonlicht in suiker en zuurstof, uit het blad wordt terug getrokken in de knoppen die volgend jaar weer uitlopen tot de nieuwe bladeren. Heel slim, want het bladgroen is  een ingewikkelde stof die om aan te maken veel energie kost. De knoppen zijn in de nazomer al  gevormd in de oksels van de bladeren. Is het bladgroen veilig gesteld werpt de boom zijn blad af, dit is een actief proces. De boom voorkomt hiermee dat hij, wanneer de temperatuur te laag wordt en hij geen voeding en water meer kan opnemen, uitdroogt. De bladeren blijven immers wel vocht verdampen terwijl er geen water meer wordt aan gevoerd als de temperatuur minder dan 4 graden is.P1090757

Wat kan ik, in de herfst van mijn leven nu van de boom in de herfst leren? Kan ik mijn meest kostbare stoffen veiligstellen voor mijn volgende generatie en hoe doe ik dat? Wat zijn mijn meest kostbare stoffen?  En dan het afwerpen van mijn bladeren, nodig om rustig de winter in te gaan, hoe pak ik dat aan. De lange avonden komen eraan en de televisie kan zo nu en dan gerust uit, tijd genoeg dus om eens goed over deze diepe vragen na te denken.

Dat gaat naar Den Bosch toe

Langzaam stromen ze door het Brabantse land, onze laaglandbeken. In België ontspringen ze, of beter gezegd worden ze gevormd door het regenwater dat samenstroomt in lagergelegen land. Hier vormen ze stroompjes en slootjes en komen onze grens over, op weg naar Den Bosch. Maar waarom naar Den Bosch?  Dit is al in lang vervlogen tijd zo bepaald, in de tijd dat onze aardschil, bestaande uit schollen die rijzen en dalen om de spanning in de aardkorst op te vangen, werden gevormd. Wij in Best liggen midden op een schol die daalt en waarvan de breuklijnen ongeveer lopen van Turnhout naar Geertruidenberg en van de Peel naar Oss. Het oranje deel van het kaartje is de centrale slenk en deze is in de loop der eeuwen tweehonderd meter gedaald. De delen ten oosten en ten westen van deze slenk zijn de horsten. Wij wonen dus in een soort Grand Canyon, maar bij ons is deze canyon dicht geslibd met materiaal uit de rivieren en zand uit de zee. Het afschot naar de zee is er nog wel maar de hoogte verschillen zijn zo klein dat je deze met het blote oog niet kan zien. Omdat moeder aarde hier de bodem zo heeft ingericht kunnen wij nu genieten van dit prachtige beekdalenlandschap.

Net  als de grote rivieren zijn deze beken de levensaders van  het doorsneden land. Via het water vonden onze voorouders, door ondoordringbare bossen,  hun weg naar deze contreien. Langs het water werden de eerste nederzettingen gesticht. Breugel, de plaats waar deze foto genomen werd, is hier een goed voorbeeld van. Wat stroomafwaarts vinden we Sint Oedenrode, Olland en Liempde. Heel veel Brabantse dorpen zijn gevestigd langs kleine riviertjes en beken.

Onze beken hebben de laatste 100 jaar heel veel te verduren gehad, we zijn er niet zo verstandig en netjes mee omgesprongen. Met de komst van de grootschalige vee- en varkenshouderij waren het meer open riolen dan beken en je zou er je kind niet graag in laten zwemmen. Het aantal planten en waterdiertjes was dramatisch gedaald. Het water stonk en zag zwart, alle zuurstof in het water werd gebruikt om de rotzooi die hierin lag af te breken, want de natuur geeft het niet gauw op. Wanneer wij, stroomafwaarts water metingen deden, bleek, hoe verder we van de vervuilende bron kwamen hoe minder vuil het water was en hoe meer soorten planten en diertjes wij weer aantroffen. Toch hadden de Dommel en alle andere beken het nooit gered wanneer de mens niet tot inzicht was gekomen dat het zo niet door kon gaan. Nu in 2017 is de Dommel weer redelijk schoon, ze stinkt niet meer en het water is niet meer zwart. Het giftige slib op de bodem is op de meeste plaatsen verwijderd en de flora en fauna is weer veel diverser. Dit is bereikt door het verbod op het lozen van mest en giftstoffen en het saneren van de troep die we hadden aangericht. We mogen hier blij mee zijn maar laten we niet te vroeg juichen, we zijn er nog lang niet. Nog steeds stroomt er mest en gifstoffen vanuit de bouwlanden het oppervlakte water in. Hoe gaan we dit stoppen? 

 

Bijna 18 september en 24 oktober

Vorige week dinsdag maakten mijn vrouw en ik een flinke fietstocht, deze ging via Geldrop, over de Strabrechtse heide, naar Heeze en via Eindhoven weer terug naar Best. Tussen Heeze en Eindhoven, ergens in de buurt van de Hut van Mie Pils, raakten we de weg kwijt en dit bracht ons een interessante ontmoeting. DSCN7707We passeerden een gebouwtje met een driehoekig grasveld langszij, vlak langs het fietspad zagen we een reusachtige paddenstoel, minstens een halve meter in doorsnee. Daar fietsen we niet zomaar voorbij. Op een bankje op het grasveld zaten een viertal mannen gezellig te buurten. Zij hadden de paddenstoel in drie weken, zien groeien van een heel klein plantje tot de reus de het nu was. Elke dag, als het weer het toeliet, kwamen die mannen naar dat bankje om de wereldproblemen te bespreken en, als het even kon, hier oplossingen voor te bedenken. “Wat is dat voor een gebouwtje?” vroeg ik. Het leek mij een boerderijtje, verbouwd tot buurthuis. “Dit is de boerderij van de gebroeders De Koning, drie broers en een zwager, verzetshelden uit de oorlog”, vertelden ons de mannen. Een verhaal dat nog altijd sterk leeft in de Heezese gemeenschap. Zij hoorden bij de verzetsgroep het “Huisven” en opereerden vanuit deze boerderij. De groep was heel actief in deze contreien. Ik was blij verrast, de reuze paddenstoel had ons in contact gebracht met het verhaal van de gebroeders De Koning. “Wij hebben in Best een straat naar deze broers genoemd”, ik wist wel ongeveer waarom, maar op de plek te zijn waar de jongens gewerkt, verraden, opgepakt en mishandeld waren, maakte diepe indruk op me. Een zo rustige plek in de bossen, ver weg van Eindhoven. Ik kan me voorstellen dat zij zich hier veilig voelden. Maar ze waren het niet. Ze zijn verraden en alle vier omgekomen, vermoord voor onze vrijheid. Ik bedankte de mannen voor hun verhaal.  De oorlog zit vol verhalen. “Jullie hebben toch ook zo’n verhaal in Best”, zei een van de mannen. Hij was van 1936 en had de oorlog bewust meegemaakt en was hier nog vaak mee bezig. “Over een Amerikaanse soldaat ging het dacht ik”, zei hij. Dit gaf mij de gelegenheid om het verhaal van Joe Mann, uitgebreid te vertellen. Hoe mensen in ons dorp nog steeds bezig zijn om deze verhalen levend te houden en de helden niet te vergeten. “We moeten wel voor donker thuis zijn hè”, maande Trees mij tot een beetje spoed. Na de mannen nog een goede nazomer gewenst te hebben en door hen op de goede weg gezet, vervolgden we onze fietstocht. Nog een drankje  bij Mie Pils en daarna via Eindhoven terug naar Best. Het was  weer een skonnen dag geweest.

Een bijzondere ontmoeting

Fietsend of wandelend in de natuur kom ik soms van alles tegen. Een bijzondere plant, een biddende torenvalk, zelfs een ree en af en toe een medemens die open staat voor een interessant gesprek. Dit overkwam mij een paar weken geleden op de Campina. Daar waar het schelpenpad een scherpe bocht maakt, staat een bankje uitnodigend klaar om mij wat rust te geven na een tochtje van  zo’n 20 kilometer. Het bankje is gedeeltelijk bezet, een man in zijn eentje, zit druk te telefoneren. Zal ik door fietsen, iets verder staat nog  een bankje. Ik doe het niet, een man op een hele bank, daar kan nog gemakkelijk iemand bij. Dat hij zit te bellen is wel een beetje gênant. In de trein is dit irritant, maar daar kun je er vaak niet omheen. Hier had dit wel gekund, maar ik doe het niet. De man ziet mij komen en knikt uitnodigend, hij voelt zich niet in zijn territorium aangetast, ondanks dat het gesprek een nogal intiem karakter heeft. Hij belt met zijn dochter die binnen enkele dagen moet bevallen, hij maakt zich hoorbaar meer zorgen dan zijn dochter. Het is zij, die opa gerust stelt en zegt dat alles goed gaat komen. Opa in spe hangt op en groet mij vriendelijk. Ik verontschuldig mij dat ik nogal brutaal in zijn privé sfeer ben binnen gedrongen, maar hij vindt dit geen enkel probleem. Waarschijnlijk had hij er in zijn eentje, al een hele fietstocht opzitten en was wel toe aan een beetje menselijk contact. We raakte in een geanimeerd gesprek. Meneer was geboren op de Veluwe en nu, met het ouder worden, hij ging binnenkort met pensioen, begon de geboortegrond steeds meer te trekken. Terug naar de Veluwe dat wilde hij niet maar hij was wel vaak op de Campina te vinden. Deze deed hem sterk denken aan de omgeving van zijn jonge jaren. “Jammer dat de heide zo aan het vergrassen is”, zei hij. Door deze uitspraak voelde ik mij meteen aangesproken als natuurgids en begon hem te vertellen over de successie van de heide. Nu de heide niet meer door de mens beheerd wordt en in dienst staat van de schapenhouderij en de potstalcultuur, is het onvermijdelijk dat het gras de overhand krijgt en de heide langzaam aan het verdwijnen is. De man vertelde mij dat hij econoom was met aandacht voor de leefomgeving. “Ho dan is wat ik vertel u wel bekend”. Nee dit was nieuw en hij luisterde met veel interesse en zo kwamen we van de potstalcultuur, de economie in harmonie met de natuur, op de economie van nu die minder harmonieus is.

Binnen de economie met aandacht voor de leefomgeving gaat het erom dat bij de berekening van de productiekosten de eventuele schade aan het milieu in deze kosten worden meegenomen. Nu gebeurt dit niet, met het gevolg dat de producten eigenlijk veel te goedkoop zijn en wij de werkelijke kosten later, in de vorm van milieuherstel, op ons bordje krijgen. Het is wel te hopen dat wij dat geld dan nog hebben, want het klinkt een beetje alsof we geld lenen om bv op vakantie te gaan en er dan over een paar jaar achter komen dat we geen beleg meer voor onze boterham kunnen kopen omdat we te veel rente moeten betalen voor de lening die dan nog steeds loopt. Ja, daar komt het zo ongeveer op neer.”En lukt het binnen uw vakgebied vooruitgang te boeken”, vroeg  ik. “Dat is moeilijk te meten, nog niet zo erg, denk ik”.  “Ik vlieg zo weinig mogelijk, fiets en rijd geen auto,” zei ik,  “maar of dat nu zoden aan de dijk zet, ik geloof het niet”. “Dat klopt wel een beetje”zei de econoom, ” maar misschien wordt het net als bij het roken, vroeger was roken bijna een must en rookten heel veel mensen, overal werden sigaretten gepresenteerd en je zou het niet in je hoofd halen roken af te keuren. Een aantal jaren geleden is er ineens een omslag gekomen en werden mensen zich massaal bewust van de schadelijke gevolgen van roken. Nu wordt er nog wel gerookt maar veel minder en wordt het als schadelijk ervaren. Misschien gebeurt dit ook met onze houding ten opzichten van de kosten van milieubederf en klimaatverandering.” Het werd tijd dat we verder fietsten. “Hoe is jou naam? vroeg de man tot slot, ik wil wel een keer met een IVN excursie mee wandelen als jij deze leidt.”  “Dat zou mooi zijn, zei ik, “tot ziens misschien en het beste met de bevalling van je dochter.” Met een blij gevoel fietste ik verder, mijn eigen weg en hij de zijne.

Hengel, een bijzondere kostganger

Planten, dieren en de mens, alle levensvormen in de natuur, leven van, door en voor elkaar. Ik sta hier niet iedere dag bij stil, maar toch, zo nu en dan, denk ik hier aan. Een levensvorm die mij al vanaf de eerste ontmoeting fascineert is die van de “halfparasieten”. Halfparasieten zijn planten die met  hun wortels, wortelen in de wortels of het hout van een andere plant. Zij hebben groene bladeren waarmee zij, onder invloed van het zonlicht, CO2 om kunnen zetten in zuurstof en suiker. Het water met daarin de benodigde bouwstoffen halen ze uit de wortels van hun gastplant.

Tijdens mijn opleiding tot natuurgids, nu al meer dan veertig jaar geleden, maakte ik kennis met Hengel, een vrij zeldzaam plantje, dat desondanks,  massaal op enkele plaatsen in Oost-Brabant voorkomt. Ik was meteen verknocht aan dit plantje. Het is tamelijk klein en ik vond het er ook wat kwetsbaar uitzien. Ik denk dat mijn sympathie voor het plantje komt doordat het maar een halfparasiet is en geen hele, want die zijn er ook. Hengel leeft weliswaar voor de helft op de zak van een ander, het zorgt wel zelf voor suiker. Wellicht laat het daar andere levensvormen van mee profiteren.  Voor een berkendoder, een zwam die een hele berk naar de filistijnen kan helpen, heb ik heel andere gevoelens.

Alle levende wezens leven van, door en voor elkaar, maar als dit van elkaar leven ten koste gaat van het leven of het welzijn van ander leven, is het moeilijk dit zomaar zonder oordeel of negatief gevoel te beschouwen. Altijd hoop ik bij het zien van een natuurfilm waarin een luipaard een weerloos hertje achtervolgt, dat het hertje het luipaard te slim af zal zijn. En toch weet ik dat als het luipaard het hertje niet te pakken krijgt, de schattige jonkies van het luipaard het niet zullen overleven. Maar kan dat beest dan niet gewoon gras eten?  Gelijk bedenk ik dat ik ook vegetariër kan worden, of in ieder geval veel minder vlees kan gaan eten.  Dit is reëler, heeft meer effect en veel meer kans van slagen. Dus toch maar weer eens een poging doen wat minder vlees te gaan eten.

Voor diegene die Hengel nu wel eens in levende lijve willen ontmoeten;, aan de Coehoornseweg in Oirschot vind je het in de berm aan de kant van het landgoed Heerenbeek. Het staat hier massaal van ongeveer juni tot… nu (nu is eind augustus).

Door tekenbeet, toch nog gedwongen naar Ongena.

Door alle medische informatie op internet en de tanende autoriteit van meneer of mevrouw de dokter, krijgt de mondige patiënt wel steeds meer eigen verantwoordelijkheid. Het was mijn keus om geen antibioticakuur te nemen na mijn tekenbeet van een paar weken geleden. Er was geen rode plek of kring rond de beet, dus volgens internet geen reden om medicijnen te slikken. Ik zou nauwkeurig in de gaten houden of er zich genoemde symptomen zouden voordoen de komende maanden. Dat ik drie weken door Nederland zou gaan fietsen, had ik in mijn overweging, geen preventieve kuur te nemen, niet mee genomen.Maandag 31 juli stapten Trees en ik, welgemoed, op de fiets voor onze eerste etappe. Iedere morgen, onderwierp ik de binnenkant van mijn knie aan een korte inspectie. Tot Bakhuizen, een kleine katholieke enclave met ongeveer duizend inwoners, in het zuiden van Friesland, ging alles goed, niets te zien, geen rode vlek, geen kring. We waren intussen acht dagen onderweg en al een flink aantal steden, dorpen en gehuchten gepasseerd. Tiengemeten, Den Haag, Haarlem, de Zaanse Schans en Monnickendam, om er maar een paar te noemen en al die tijd geen probleem. In Bakhuizen ging het mis, het was een beetje donker op het toilet, maar toch, de plek bij mijn knie was wat donkerder, een beetje rood. Dus toch, verdorie,  mis gegokt. Wat nu? In Bakhuis was geen apotheek of dokter. Ik besloot om in Drachten, onze volgende bestemming, mijn huisarts te bellen en een recept voor een antibioticakuur te vragen. De medicijnen kon ik dan in Drachten bij de apotheek ophalen en dan met de tiendaagse kuur beginnen. Dinsdagmiddag belde ik met de assistente, deze zou, zodra zij het faxnummer van de apotheker van mij ontvangen had, het recept door faxen. Intussen ging ik opzoek naar een apotheker. Midden in de stad vond ik er een, Ongena, was de naam, het kon niet toepasselijker, ik voelde me ongenadig afgestraft voor mijn eigenwijsheid. Toen ik opnieuw mijn huisarts belde kreeg ik te horen dat ik toch maar eerst een arts in Drachten moest bezoeken. Deze moest de situatie eerst bekijken en, indien nodig, een tiendaagse kuur voorschrijven, een tweedaagse preventieve, had nu geen zin meer. Na het doktersbezoek en met het recept in mijn zak ging ik naar apotheker Ongena. Hier kreeg ik samen met de medicijnen ook uitleg over het gebruik en de eventuele bijwerkingen. Kans op maag en darmproblemen, diarree en niet in de zon. Ik zag mij al fietsen door Drente, Overijssel, Gelderland en misschien nog een stukje Limburg, met een grote hoed op, lange broek en blouse met lange mouwen aan en om de tien kilometer met spoed de mais in gaan. Als mondige patiënt heb ik, in overleg met Trees, maar besloten onze vakantie voortijdig te beëindigen. Een week eerder dan gepland thuis gekomen, ben ik met mijn antibioticakuur begonnen. De gemiste week halen we in het naseizoen wel een keer in.

Teken zijn niet onze (natuur)vrienden

Mateloos kan ik me soms verwonderen over de wonderen in de natuur. Hoe alles leeft, samenleeft en overleeft. De koekoek, die haar ei legt in het nest van een ander, het winterkoninkje, dat alles  uit de kast haalt om dat dikke koekoeksjong te voeden en groot te brengen. In mijn omgang met  muggen en wespen ligt dit toch een beetje anders. Wespen hebben geweldig ingewikkelde facetogen, toch is dat niet het eerste waar ik aan denk wanneer ze mij, lekker onderuit op het terras zittend, komen belagen. Gek eigenlijk, of toch niet zo gek? Met teken is het helemaal oppassen. Ik ben niet allergisch voor wespensteken, maar voor de ziekte van  Lyme  ben ik, voor zover ik weet, niet immuun, dus hiermee blijft het uitkijken.  In Nederland worden ieder jaar 1.000.000 mensen gebeten door teken. Dat is veel, zeker als  je bedenkt dat de meeste teken in een groene omgeving voorkomen. Maandag 24 juli was ik aan de beurt, voor de eerste keer in mijn leven. Gezien de tijd, die ik in de natuur doorbreng, werd het tijd. Ik had s’ morgens  een wandeling gemaakt  in de Sonse Heide. s’Middags de goot van ons huis schoon gemaakt, die liep over vanwege een verstopte afvoer en de hoeveelheid regen die de afgelopen dagen gevallen is. Ik weet niet wanneer ik gebeten ben, of het in de heide was of toen ik op mijn ladder, door een struik die tegen het huis stond, mijzelf naar boven worstelde.  s’ Avonds voor het naar bed gaan, op het toilet, mijn gedachten slechts op een ding gericht, zag ik aan de binnenkant van mijn linkerknie een heel klein zwart plekje, het leek een korstje, overgebleven van een klein wondje. Dat was het niet, ik voelde er aan, het plekje ging op en neer en rolde een beetje onder mijn vinger. Foute boel dacht ik meteen, een teek. Ik raakte niet meteen in paniek, maar van enige onrust kun je toch wel spreken. Ik haalde er een loepje bij om de zaak nader te onderzoeken, want  met het blote oog kon ik niet zien wat het was. En ja hoor, onder de loep was het heel duidelijk. Het was intussen rond 12 uur, de tijd drong, de teek zat zeker 10 uur in de binnenkant van mijn knie, hij of zij moest eruit en wel zo snel mogelijk. De beste manier, wist ik uit ervaring, is met een scherp pincet, zo laag mogelijk bij de kop de teek vast pakken en recht omhoog eruit trekken, dan is de kans dat er pootjes of iets dergelijks achterblijven, het kleinst. Zo gedaan, de teek kwam  er in zijn geheel uit en ik haalde opgelucht adem. Nu nog 3 maanden in de gaten houden of er geen rode vlek of kring om de beet ontstaat. Als dit gebeurt is er sprake van besmetting en is een penicillinekuur noodzakelijk. Dinsdagmorgen inspecteerde ik de beet, was er een rode vlek, of een kring te zien?  Ik vertrouwde mijn eigen ogen niet, en belde toch maar even met de huisarts. De assistente haalde er het protocol bij en, ja hoor, een preventieve penicillinekuur van 2 dagen was de richtlijn. Ik zag intussen geen rode plek meer en een beetje eigenwijs als ik ben, wil toch nog even afwachten, ik heb de datum van de beet genoteerd op de kalender en ga goed in de gaten houden of er iets gaat kleuren, of dat er een kring gaat verschijnen aan de binnenkant van mijn knie. Ik heb al een goede plaats voor een dagelijkse inspectie op het oog.

Korstmossen, samenwerking in de natuur

De natuur is vol verrassingen. Ik kan me nog herinneren dat ik voor het eerst grijsgroen mos zag en er achter probeerde te komen hoe dit mos heette. Moeilijk, mossen zijn sowieso al moeilijk. Gelukkig zijn er altijd mede IVNers die hun kennis graag willen delen. Kostmos is geen mos maar een korstmos. en toen kwam het, nooit meer vergeten, een symbiose van een wier en een schimmel. Korstmos is dus niet één plant, maar twee, een samenstelling  , een samenstelling waarbij alle delen voordeel hebben van  hun samengaan. Dat is niet bij alle samenlevingen, er zijn ook parasitaire samenlevingen. Daarbij is ene levensvorm in het voordeel en het andere in het nadeel, een gaat er zelfs  vaak aan dood, bijvoorbeeld bij een aantal zwammen die op bomen leven. Bij het korstmos is dit niet zo. Hier zorgt de schimmel, door dood biologisch materiaal af te breken tot mineralen, voor voeding voor het wier. Het wier levert het dood biologisch materiaal dat regelmatig afsterft. Het wier, welk chlorofyl bezit, kan koolstof assimileren en hier door suiker maken. Dit heeft het wier, samen met de mineralen, geleverd door de schimmeldraden, nodig om te leven. Ingewikkeld verhaal en om het te zien heb je een microscoop nodig.  Het korstmos ontwikkeld sporen om zich voort te planten. Deze ontwikkelen zich in de rode knopjes aan de uiteinden van de stengeltjes waaruit het korstmos bestaat. Het is echt een plantje om onder een loepje op je gemak te bekijken. Heel mooi, vreemd en erg de moeite waard

Paddenstoelen in de zomer

Paddenstoelen in de zomer, wie bedenkt zo iets. De herfst, dat is de tijd van de paddenstoelen, de rood met witte stippen, de stuifzwam die zo lekker kan ploffen en het eekhoorntjesbrood. Een misverstand dus. Paddenstoelen zijn er het hele jaar, maar in de herfst het meest. Logisch want dan is er het meeste dood biologisch materiaal. En hier leven de paddenstoelen van. De paddenstoelen die ik deze week langs de kant van de weg, in de buurt van Liempde, tegen  kwam en die ik voor dit stukje gefotografeerd heb, zien er kolossaal en indrukwekkend uit. Het lijkt dat ze er een hele tijd  over gedaan hebben om zo te groeien. Dat is niet zo, de vorige keer dat ik hier langs  fietste heb ik ze niet gezien. Misschien ook niet goed gekeken, kan zijn, toch denk ik dat ze er niet waren. Paddenstoelen kunnen in korte tijd enorme afmetingen bereiken. Het zijn mysterieuze planten, of eigenlijk, zijn het geen planten. Het is een deel van  een plant, het vruchtlichaam van een plant die in de grond, of in de boom, waaruit de paddenstoel ontspruit, leeft. De plant is een veel grotere zwamvlok die zijn zwamdraden naar alle kanten uitspreidt en waar aan de uiteinden van de vlok de paddenstoelen naar buiten treden. Vaak in de vorm van  een cirkel, de zo genaamde heksenkring. Ieder jaar kan deze groter worden, want de zwamvlok groeit.De paddenstoel onder aan de boom heeft zijn zwamdraden door de hele boom heen. De boom zag er dan ook niet best uit, veel kale takken en dood hout. Deze boom gaat het loodje leggen. Dit is niet bij alle boomzwammen het geval, vaak leven bomen nog vele jaren samen met hun zwam. Bomen en paddenstoelen zijn over het algemeen goede vrienden, ze leveren elkaar profijt op. De zwamdraden zorgen er voor dat de boom beter voeding  op kan nemen en de boom levert ieder jaar dode bladeren die weer goed zijn voor de zwam. Een mooi voorbeeld van samenwerking in de natuur.