De droogte voorbij???

Terwijl de boeren nog kreunen en steunen over de verloren oogst krabbelt de natuur hier en daar weer overeind. Wandelend door de Vleut zie ik het groen de plaats in nemen van de gele bermen en weiden. Wat gaat dat snel. De buien zijn nog maar net gevallen en over ons gazon ontwikkeld zich een groene gloed, veroorzaakt door ontelbaar dunne groene grassprietjes. Ook de hitte van vorige week heeft plaats gemaakt voor een fris weertje (het is half acht als ik dit ervaar) en geeft nieuwe energie en zin om in beweging te komen.

De wilde natuur, als vlekken tussen ons cultuurlandschap, blijkt veel veerkrachtiger dan onze landbouwgewassen. De dieren hebben het even moeilijk gehad maar doen zich nu al weer te goed aan fris groen. De boeren doen er langer over om de geleden schade te verwerken.

Advertenties

Onze buxus leggen het loodje

Dertig jaar geleden besloten wij, de drie bewoners van de “Hokkelhoeve”, gelegen aan de, toen nog,  Hokkelstraat, ( nu Hulst) , om onze voortuin als één tuin te gaan aanleggen. Ons huis was een geheel, dus onze tuin moest dit ook worden. Het grondpatroon werd drie cirkels verbonden door paadjes, omzoomd met buxusheggetjes. Het was in de tijd dat de buxus in opkomst waren. Ieder normaal mens zou in dit geval naar een tuincentrum gegaan zijn en de benodigde buxusstruikjes gekocht hebben. Wij niet, zelfvoorzienend als wij waren, of waarnaar wij streefden, hadden we in de buurt al verschillende tuinen gezien waar de buxus weelderig tierden. Deze moesten bij tijd en wijlen geknipt worden, wisten wij, en dan kwamen er een heleboel stekjes beschikbaar. Toen een van onze, wat verdere buren de buxus ging knippen, boden wij aan de rommel op te ruimen en mee te nemen. Dat was goed. Met een volle kruiwagen stekjes gingen wij huiswaarts. De stekjes werden gesorteerd op grote en bruikbaarheid en vervolgens geplant in de uitgezette patronen. Toen begon het echte werk pas. Iedere avond water geven en de stekjes die het niet haalden vervangen uit de voorraad die we in de achtertuin hadden gezet. Maanden zijn we er liefdevol mee bezig geweest. Ik had vanaf het begin zo mijn twijfels bij het hele experiment, maar dit bleek onterecht. De buxus groeiden niet hard maar bleven in leven en voldeden aan onze verwachting.

Maar  nu, na dertig jaar zorg  en toewijding, voltrekt zich een ramp over onze heggetjes. Net als in heel veel andere tuinen werden onze buxus in het voorjaar kaalgevreten door de buxusrups. Op veel plaatsen zagen wij de schop de grond in gaan en de buxus in de kliko belanden. Andere tuinliefhebbers grepen naar de gifspuit. Voor ons, doorwinterde IVNers, was spuiten geen optie en rigoureuze dumping in de kliko ook niet. We hadden in de beginjaren wel meer dorre tijden gekend. Nee, onze strategie was,  we wachten rustig af, het leven is sterker dan de dood en de door de stippelmot  kaalgevreten struiken in onze broekbossen, zijn het jaar daarop ook weer uitgeschoten. Onze hoop op een nieuw leven voor onze buxus was niet ijdel, hier en daar kwamen al wat groene blaadjes te voorschijn. Een paar weken geleden werd deze hoop  definitief de grond in geslagen. De temperatuur liep op en er wilde maar geen regen vallen. De verwachtingen voor de komende weken zijn niet best. Nu staan onze buxus erbij als in de woestijn, dor en doods. En toch,, bij het maken van bovenstaande foto, voelde ik dat de takjes aan de voet nog veerkrachtig waren niet helemaal uitgedroogd en dood. Wie weet, is er toch nog hoop voor onze buxus die met zoveel liefde en toewijding zijn grootgebracht. Volgend voorjaar zullen we het weten.

Kabouter Kwebbel ontdekt het licht

In de bossen tussen het Boshuys en het Oud Meer kun je, wanneer je geluk hebt, kabouters ontmoeten. Dit geluk had ik enkele dagen geleden. Ik ontmoeten hier een kabouter en deze vertelde mij het volgende verhaal:

Het was rond 1645, mijn betovergrootvader, kabouter Kwebbel, lag lekker op zijn rug in het warme najaarszonnetje. Hij mijmerde over de naderende winter, de kortere dagen en de koude lange nachten. Hij zou dan weer lange tijd vroeg naar bed moeten want zonder licht waren het vervelende avonden. Kwebbel hield niet van de winter.

Plotseling hoorde Kwebbel een doordringend gezoem. Wat zou dat zijn, het leken wel bijen of hommels, maar dan een hele boel. Kwebbel besloot op onderzoek uit te gaan, want hij was een heel nieuwsgierige en ondernemende kabouter. Toen hij in de richting liep van waar het geluid kwam, schrok hij heel erg. De heide stond in brand en het vuur liep, voortgedreven door de stevige wind, in een flink tempo vooruit, een zwart geblakerde vlakte achter zich latend. Midden in het vuur stond een grote boom met net onder de takken een hol. In dit hol was een bijennest, hier rondom gonsden een grote zwerm bijen. Door de hitte van het vuur was de honing en de was in het hol aan het smelten en droop deze uit het hol, langs de stam naar beneden. Gelukkig trok het vuur verder en nam de hitte, door het het koelen van de druk fladderende bijen, snel af. De bijen gingen het nest weer in om te redden wat er te redden viel.

Kwebbel keek aandachtig rond. Wat gebeurden hier allemaal? Onder aan de boom had de gesmolten was een hoopje gevormd en midden in het hoopje was stak een stukje boombast omhoog. Overal rondom de boom was het vuur al gedoofd maar het stukje bast branden nog. Het branden maar het verbranden niet, de was werd wel minder. Kwebbel vond dit allemaal heel fascinerend, hier wilde hij meer van weten. Hij verzamelde zoveel was als hij kon en nam dit mee naar zijn huisje. Hij smolt de was en goot dit in een kopje. Omdat de boombast toch niet zo geschikt was als lontje, ging hij experimenteren met allerlei andere materialen. Een paar draadjes uit zijn trui, opgedraaid gras en de kern van de pitrus, een plant die op drassige grond in de buurt groeide. Het resultaat van het experimenteren werd steeds beter en na een paar weken had Kwebbel een prima kaars ontwikkeld. Nu kon hij in de winter langer opblijven en lekker lezen, bij zijn lustig snorrende kacheltje, met een pijpje in zijn mond.

Mais

Hoe komen we toch aan al die mais

De mais schiet op dit moment als paddenstoelen de grond uit. Vorige week zag ik een veld waar de spruiten ongeveer vijf centimeter boven de grond uitstaken, nu zijn dit er al meer dan tien. Op al mijn fietstochten door het Brabantse land rondom Best zien we maisvelden in overvloed. Het stemt mij niet erg blij, deze massa’s mais. Ik weet nog dat er in deze contorijen aardappelen, bieten en graan geteeld werden. De boerderijen waren toen nog gemengde bedrijven waar koeien, varkens en kippen gehouden werden. Ook de landbouw had in het gemengd bedrijf een voorname plaats. Langzaamaan kwam er een verandering op gang. Boeren gingen specialiseren. Kippenhokken werden omgebouwd tot varkensstallen of afgebroken om plaats te maken voor nieuwe kippen- varkens- of koeienstallen. Boerenzoons, die aanvankelijk geen plaats op de boerderij hadden en de bouw in gingen, bouwden in hun vrije tijd een bescheiden varkensstal en hadden er op deze manier een kostwinning bij. Sommige, zo gestarte nieuwe parttime boeren, breiden al snel uit en groeide naar grote stallen van honderden varkens. Al snel deden zich de eerste problemen voor. Waar bleef men met de overvloed aan drijfmest. Geen enkel gewas was instaat dit te behappen. Mais bleek een plant die jaar op jaar een grote hoeveelheid mest kon verwerken. Het leverde gelijk een goed voedsel voor de melkveehouderij, die in het kielzog van de varkensbranche, sterk kon uitbreiden.

Nu, zo’n vijftig jaar later, zitten we naast de monocultuur aan grasland, en een grote hoeveelheid mest waar we geen weg mee weten, met een landschap waar de mais een overheersende plaats inneemt.

Het is een beetje gemakkelijk nu heel hard te gaan roepen dat we van die mais, dat grasland, die varkenshokken en koeienstallen af moeten. Zo gemakkelijk is dit niet. We hebben een ontwikkeling doorgemaakt waarvan maar weinig mensen zagen dat dit niet goed af ging aflopen. Nu komen de, met deze ontwikkeling, samenhangende gevolgen wel heel bedreigend op ons af. Met name de afnamen van het aantal insecten schijnt veel mensen zorgen te baren. Hier en daar zijn er boeren die overschakelen op meer biologische landbouw en de natuurbeschermings-organisaties proberen d.m.v. het creëren van natuurgebieden te redden wat er te redden valt. Gelijk wordt er op deze manier gewerkt aan meer bewustzijn van de nood waarin de natuur verkeerd. Ik wil het plezier van jullie fietstochten door ons, nog steeds mooie Brabantse land niet verpesten, maar hoop dat dit stukje jullie kijk op de mais die je onderweg voorbij fietst, toch een beetje verandert. Niet alle groen is goed voor ons milieu.

Ontmoetingen in mei

Mijn stukjes gaan vaak over ontmoetingen. Ontmoeten is een rode draad door het leven van ons allen en ik wens iedereen toe hier net zoveel van te genieten als ik dit doe. Ontmoeten, hoeft niet, het woord  zegt het zelf al. “Ont-moeten, niet moeten, niets moet”. Het gebeurd dan ook meestal zonder dat je hier iets voor doe. Vaak, maar niet altijd, je kan er ook op uit zijn, het ontmoeten een beetje helpen. Dat overkomt mij ook, zo nu en dan. Sommige tijden van het jaar zijn beter voor ontmoetingen dan andere. De zomer en de lente b.v. zijn beter dan de winter. Je komt meer buiten en blijf ook gemakkelijker staan. Mei is voor mij de meest ontmoetingsvolle tijd. Het lijkt alsof ik dan meer behoefte heb om te praten, om gedachten en gevoelens te delen. 1 Mei begint het al, “de dag van de arbeid”, allerlei gedachten vliegen dan door mijn hoofd. Sint Jozef, de timmerman, Stalin, ontmaskert als een vreselijke massamoordenaar, maar voor veel arbeiders in de beginjaren van het communisme, een held, de rijke boeren van Flakkee, die mijn opa en vader uitknepen en in de richting van het socialisme dreven. Dan komt 4 en 5 mei, herdenking en bevrijding van een vreselijke oorlog. Ik heb hem gelukkig persoonlijk niet meegemaakt, maar geboren in 1946, de invloed hier van wel degelijk gevoeld. Op 4 mei stonden we met een groot aantal bestenaren bij het kruispark om te gedenken en ons voor te nemen: “nooit meer oorlog”. Zondag 15 mei fietsten mijn vrouw en ik over het fietspad van de Sonse weg, richting Joe Mann theater.  Ter hoogte van de Schietbaan,  staat het herdenkingsmonument van kolonel Cole, gesneuveld tijdens de luchtlanding van de 101 airborne divisie op 18 september. Bij dat monument stond een motorrijder, met zwaar bepakte motor, in gedachten naar het monumen te kijken. Wij waren al voorbij gefietst, toen mijn vrouw vroeg, “moet je niet afstappen”, ze weet dat ik het maar moeilijk laten kan, mensen die ik tegen kom te vertellen over wat er om ons heen te zien is. Ik vond het zelf ook al vreemd dat ik niet gestopt was. Maar beter ten halve gekeerd, dus wij draaiden om en begonnen een gesprek met de beschouwer van de herinnering aan kolonel Cole. De motorrijder, een engelsman, was op tocht door Brabant om het spoor van de 101 Airborne divisie te volgen. Hij had hier een boek over gelezen en wilde de plaatsen waar de acties  hadden plaatsgevonden, bezoeken. Hij was verrast door ons  gesprek en de verhalen die ik hem kon vertellen over hoe wij in Best met onze oorlogshelden omgingen. De sportclubs die naar hen genoemd waren, het Joe Mann theater en paviljoen, het museum, Bevrijdende vleugels. Hij was erg blij dit uit de mond van een bestenaar te horen en ik was blij hem dit te kunnen vertellen. Een mooie en waardevolle ontmoeting, die bijna  niet doorgegaan was.

Het wordt lente, een erotische ontmoeting

Een enkele keer krijg ik de opmerking dat mijn stukjes, zo nu en dan een erotische ondertoon hebben. Dat is mogelijk. De betekenis van een tekst vormt zich tussen de tekst en de lezer, de schrijver heeft hier nooit het laatste woord. Als het de meeste lezers tot nu toe is ontgaan, is dit misschien een reden mijn stukjes nog eens over te lezen.

Vanmiddag was mijn ontmoeting echter wel onmiskenbaar erotisch. Ik maakte een wandelingetje in de Paljaart, een mooi natuurgebied ten noorden van Best, waar edelherten zijn uitgezet. Ik hoopte de edelherten te zien, het was nog tamelijk vroeg maar je weet nooit. Overal zag ik verse sporen in de lemige grond, maar de herten lieten zich niet zien. Inspannend rond speurend had ik niet veel aandacht voor het pad waar ik liep. Uit mijn ooghoeken dacht ik een blad over het pad te zien dwarrelen, maar dit blad had haast en sloeg over de kop. Nu ik mijn blik beter op de grond richtte bleek het geen blad te zijn dat daar dwarrelde maar een forse bruine kikker. Sinds kort ben ik de enthousiaste bezitter van een smartphone dus ik zou deze kikker, als voorbode van de nu toch wel definitief doorgebroken lente, vastleggen op de gevoelige plaat. Regel een van de natuurfotografie  is: “fotografeer op ooghoogte van het object”, dus ik, met enige moeite, op mijn knieën. Toen ik de foto bekeek en wat inzoomde werd ik andermaal geconfronteerd met het ouder worden. Mijn ogen zijn niet meer wat ze waren, het bleek niet een kikker te zijn die ik gefotografeerd had maar twee. Weliswaar stevig verstrengeld, aaneen gesmeed en verbonden, om met de dichter te spreken. Samen waren ze op weg naar de poel die een eindje van het pad, in het bos lag. Hij zal het vrouwtje niet loslaten voor zij haar eitjes in het water heeft afgezet en hij zijn sperma over haar eitjes heeft uitgestort. De op deze manier bevruchtte eitjes moeten het vervolgens alleen zien te redden. Papa en mamma gaan weer hun eigen weg en de eitjes ontwikkelen zich tot dikkopjes en vervolgens tot kleine kikkertjes. Na een of twee jaar zijn deze kleine kikkertjes volwassen en klaar om te paren en het voortplantingsgebeuren voor te zetten.

Afscheid van mijn geliefde Esdoorn

Een paar weken geleden hebben we afscheid moeten nemen van onze geliefde esdoorn. Ongeveer 25 jaar hebben we genoten van zijn, steeds groeiende schaduw en zijn robuuste  body. In de begin jaren 80 van de vorige eeuw kreeg ik hem, toen nog een jong boompje, zomaar spontaan uit het zaad van zijn ouders opgegroeid, van Noud Aartsen. Noud was in die tijd net terug uit Ierland en probeerde in Nederland een doorstart te maken als fotograaf. Ik hielp hem, samen met vader Herman, een tijdelijke woning te plaatsen in de tuin van zijn ouders. Gelijkertijd was ik bezig met de aanleg van onze tuin in de Hokkelstraat. Met een fietskar vol jonge boompjes uit de tuin van Noud, fietste ik over de Klaverhoekse weg naar huis, blij met het jonge aanplantmateriaal.

Tuinlieden dienen een vooruitziende blik te hebben, ik zeg dienen. Maar in de praktijk is dit niet altijd zo. Regelmatig groeien de bomen tot in de hemel, hoewel dit niet de bedoeling is. Of over de heg bij de buren, wat ook niet de bedoeling is. Zelfs zover dat er een rijdende rechter aan te pas moet  komen. Het komt ook voor dat de gemeente als mediator op moet treden om de tegenstellingen in de buurt niet te laten escaleren. Wij in de Hulst kunnen hierover meepraten.

Onze esdoorn was in de eerste 20 jaar van zijn bestaan geen probleem voor mijn buurman Leo. Tenminste ik heb hem hier nooit over gehoord. Maar met het groeien van de wortels en de schaduw en de steeds groter hoeveelheid zaad dat onze esdoorn produceerde, was het mijn vrouw Trees, die Leo zo nu en dan hoorde zeggen dat, die boom wat hem betrof wel wat kleiner mocht of zelfs helemaal mocht verdwijnen. Ik kon mij dit maar nauwelijks voorstellen en besteedde daarom weinig aandacht aan deze signalen. Wat je niet graag hoort komt meestal ook moeilijk door. Leo werd ziek en wij gingen hem daarom wat meer bezoeken. Tijdens deze bezoekjes kwam het probleem van onze boom meer nadrukkelijker aan de orde. De wortels groeiden in de vijver en tot in het terras. Dit kon niet, dus we moesten er iets aan doen. Snoeien, opperde ik. Het zou kunnen maar wat blijft er dan over en hoe reageert de boom hier op? Nee, laten we het maar rigoureus aanpakken, de boom gaat er uit, met pijn in mijn hart. We spraken af dat de boom in het voorjaar gerooid zou worden en dit is een paar weken geleden dan ook gebeurd. Leo heeft het, jammer genoeg niet mee mogen maken, eind november vorig jaar overleed hij, 88 jaar oud. We zijn nu dus een mooie boom en een aardige buurman kwijt.