Mais

Hoe komen we toch aan al die mais

De mais schiet op dit moment als paddenstoelen de grond uit. Vorige week zag ik een veld waar de spruiten ongeveer vijf centimeter boven de grond uitstaken, nu zijn dit er al meer dan tien. Op al mijn fietstochten door het Brabantse land rondom Best zien we maisvelden in overvloed. Het stemt mij niet erg blij, deze massa’s mais. Ik weet nog dat er in deze contorijen aardappelen, bieten en graan geteeld werden. De boerderijen waren toen nog gemengde bedrijven waar koeien, varkens en kippen gehouden werden. Ook de landbouw had in het gemengd bedrijf een voorname plaats. Langzaamaan kwam er een verandering op gang. Boeren gingen specialiseren. Kippenhokken werden omgebouwd tot varkensstallen of afgebroken om plaats te maken voor nieuwe kippen- varkens- of koeienstallen. Boerenzoons, die aanvankelijk geen plaats op de boerderij hadden en de bouw in gingen, bouwden in hun vrije tijd een bescheiden varkensstal en hadden er op deze manier een kostwinning bij. Sommige, zo gestarte nieuwe parttime boeren, breiden al snel uit en groeide naar grote stallen van honderden varkens. Al snel deden zich de eerste problemen voor. Waar bleef men met de overvloed aan drijfmest. Geen enkel gewas was instaat dit te behappen. Mais bleek een plant die jaar op jaar een grote hoeveelheid mest kon verwerken. Het leverde gelijk een goed voedsel voor de melkveehouderij, die in het kielzog van de varkensbranche, sterk kon uitbreiden.

Nu, zo’n vijftig jaar later, zitten we naast de monocultuur aan grasland, en een grote hoeveelheid mest waar we geen weg mee weten, met een landschap waar de mais een overheersende plaats inneemt.

Het is een beetje gemakkelijk nu heel hard te gaan roepen dat we van die mais, dat grasland, die varkenshokken en koeienstallen af moeten. Zo gemakkelijk is dit niet. We hebben een ontwikkeling doorgemaakt waarvan maar weinig mensen zagen dat dit niet goed af ging aflopen. Nu komen de, met deze ontwikkeling, samenhangende gevolgen wel heel bedreigend op ons af. Met name de afnamen van het aantal insecten schijnt veel mensen zorgen te baren. Hier en daar zijn er boeren die overschakelen op meer biologische landbouw en de natuurbeschermings-organisaties proberen d.m.v. het creëren van natuurgebieden te redden wat er te redden valt. Gelijk wordt er op deze manier gewerkt aan meer bewustzijn van de nood waarin de natuur verkeerd. Ik wil het plezier van jullie fietstochten door ons, nog steeds mooie Brabantse land niet verpesten, maar hoop dat dit stukje jullie kijk op de mais die je onderweg voorbij fietst, toch een beetje verandert. Niet alle groen is goed voor ons milieu.

Advertenties

Ontmoetingen in mei

Mijn stukjes gaan vaak over ontmoetingen. Ontmoeten is een rode draad door het leven van ons allen en ik wens iedereen toe hier net zoveel van te genieten als ik dit doe. Ontmoeten, hoeft niet, het woord  zegt het zelf al. “Ont-moeten, niet moeten, niets moet”. Het gebeurd dan ook meestal zonder dat je hier iets voor doe. Vaak, maar niet altijd, je kan er ook op uit zijn, het ontmoeten een beetje helpen. Dat overkomt mij ook, zo nu en dan. Sommige tijden van het jaar zijn beter voor ontmoetingen dan andere. De zomer en de lente b.v. zijn beter dan de winter. Je komt meer buiten en blijf ook gemakkelijker staan. Mei is voor mij de meest ontmoetingsvolle tijd. Het lijkt alsof ik dan meer behoefte heb om te praten, om gedachten en gevoelens te delen. 1 Mei begint het al, “de dag van de arbeid”, allerlei gedachten vliegen dan door mijn hoofd. Sint Jozef, de timmerman, Stalin, ontmaskert als een vreselijke massamoordenaar, maar voor veel arbeiders in de beginjaren van het communisme, een held, de rijke boeren van Flakkee, die mijn opa en vader uitknepen en in de richting van het socialisme dreven. Dan komt 4 en 5 mei, herdenking en bevrijding van een vreselijke oorlog. Ik heb hem gelukkig persoonlijk niet meegemaakt, maar geboren in 1946, de invloed hier van wel degelijk gevoeld. Op 4 mei stonden we met een groot aantal bestenaren bij het kruispark om te gedenken en ons voor te nemen: “nooit meer oorlog”. Zondag 15 mei fietsten mijn vrouw en ik over het fietspad van de Sonse weg, richting Joe Mann theater.  Ter hoogte van de Schietbaan,  staat het herdenkingsmonument van kolonel Cole, gesneuveld tijdens de luchtlanding van de 101 airborne divisie op 18 september. Bij dat monument stond een motorrijder, met zwaar bepakte motor, in gedachten naar het monumen te kijken. Wij waren al voorbij gefietst, toen mijn vrouw vroeg, “moet je niet afstappen”, ze weet dat ik het maar moeilijk laten kan, mensen die ik tegen kom te vertellen over wat er om ons heen te zien is. Ik vond het zelf ook al vreemd dat ik niet gestopt was. Maar beter ten halve gekeerd, dus wij draaiden om en begonnen een gesprek met de beschouwer van de herinnering aan kolonel Cole. De motorrijder, een engelsman, was op tocht door Brabant om het spoor van de 101 Airborne divisie te volgen. Hij had hier een boek over gelezen en wilde de plaatsen waar de acties  hadden plaatsgevonden, bezoeken. Hij was verrast door ons  gesprek en de verhalen die ik hem kon vertellen over hoe wij in Best met onze oorlogshelden omgingen. De sportclubs die naar hen genoemd waren, het Joe Mann theater en paviljoen, het museum, Bevrijdende vleugels. Hij was erg blij dit uit de mond van een bestenaar te horen en ik was blij hem dit te kunnen vertellen. Een mooie en waardevolle ontmoeting, die bijna  niet doorgegaan was.

Het wordt lente, een erotische ontmoeting

Een enkele keer krijg ik de opmerking dat mijn stukjes, zo nu en dan een erotische ondertoon hebben. Dat is mogelijk. De betekenis van een tekst vormt zich tussen de tekst en de lezer, de schrijver heeft hier nooit het laatste woord. Als het de meeste lezers tot nu toe is ontgaan, is dit misschien een reden mijn stukjes nog eens over te lezen.

Vanmiddag was mijn ontmoeting echter wel onmiskenbaar erotisch. Ik maakte een wandelingetje in de Paljaart, een mooi natuurgebied ten noorden van Best, waar edelherten zijn uitgezet. Ik hoopte de edelherten te zien, het was nog tamelijk vroeg maar je weet nooit. Overal zag ik verse sporen in de lemige grond, maar de herten lieten zich niet zien. Inspannend rond speurend had ik niet veel aandacht voor het pad waar ik liep. Uit mijn ooghoeken dacht ik een blad over het pad te zien dwarrelen, maar dit blad had haast en sloeg over de kop. Nu ik mijn blik beter op de grond richtte bleek het geen blad te zijn dat daar dwarrelde maar een forse bruine kikker. Sinds kort ben ik de enthousiaste bezitter van een smartphone dus ik zou deze kikker, als voorbode van de nu toch wel definitief doorgebroken lente, vastleggen op de gevoelige plaat. Regel een van de natuurfotografie  is: “fotografeer op ooghoogte van het object”, dus ik, met enige moeite, op mijn knieën. Toen ik de foto bekeek en wat inzoomde werd ik andermaal geconfronteerd met het ouder worden. Mijn ogen zijn niet meer wat ze waren, het bleek niet een kikker te zijn die ik gefotografeerd had maar twee. Weliswaar stevig verstrengeld, aaneen gesmeed en verbonden, om met de dichter te spreken. Samen waren ze op weg naar de poel die een eindje van het pad, in het bos lag. Hij zal het vrouwtje niet loslaten voor zij haar eitjes in het water heeft afgezet en hij zijn sperma over haar eitjes heeft uitgestort. De op deze manier bevruchtte eitjes moeten het vervolgens alleen zien te redden. Papa en mamma gaan weer hun eigen weg en de eitjes ontwikkelen zich tot dikkopjes en vervolgens tot kleine kikkertjes. Na een of twee jaar zijn deze kleine kikkertjes volwassen en klaar om te paren en het voortplantingsgebeuren voor te zetten.

Afscheid van mijn geliefde Esdoorn

Een paar weken geleden hebben we afscheid moeten nemen van onze geliefde esdoorn. Ongeveer 25 jaar hebben we genoten van zijn, steeds groeiende schaduw en zijn robuuste  body. In de begin jaren 80 van de vorige eeuw kreeg ik hem, toen nog een jong boompje, zomaar spontaan uit het zaad van zijn ouders opgegroeid, van Noud Aartsen. Noud was in die tijd net terug uit Ierland en probeerde in Nederland een doorstart te maken als fotograaf. Ik hielp hem, samen met vader Herman, een tijdelijke woning te plaatsen in de tuin van zijn ouders. Gelijkertijd was ik bezig met de aanleg van onze tuin in de Hokkelstraat. Met een fietskar vol jonge boompjes uit de tuin van Noud, fietste ik over de Klaverhoekse weg naar huis, blij met het jonge aanplantmateriaal.

Tuinlieden dienen een vooruitziende blik te hebben, ik zeg dienen. Maar in de praktijk is dit niet altijd zo. Regelmatig groeien de bomen tot in de hemel, hoewel dit niet de bedoeling is. Of over de heg bij de buren, wat ook niet de bedoeling is. Zelfs zover dat er een rijdende rechter aan te pas moet  komen. Het komt ook voor dat de gemeente als mediator op moet treden om de tegenstellingen in de buurt niet te laten escaleren. Wij in de Hulst kunnen hierover meepraten.

Onze esdoorn was in de eerste 20 jaar van zijn bestaan geen probleem voor mijn buurman Leo. Tenminste ik heb hem hier nooit over gehoord. Maar met het groeien van de wortels en de schaduw en de steeds groter hoeveelheid zaad dat onze esdoorn produceerde, was het mijn vrouw Trees, die Leo zo nu en dan hoorde zeggen dat, die boom wat hem betrof wel wat kleiner mocht of zelfs helemaal mocht verdwijnen. Ik kon mij dit maar nauwelijks voorstellen en besteedde daarom weinig aandacht aan deze signalen. Wat je niet graag hoort komt meestal ook moeilijk door. Leo werd ziek en wij gingen hem daarom wat meer bezoeken. Tijdens deze bezoekjes kwam het probleem van onze boom meer nadrukkelijker aan de orde. De wortels groeiden in de vijver en tot in het terras. Dit kon niet, dus we moesten er iets aan doen. Snoeien, opperde ik. Het zou kunnen maar wat blijft er dan over en hoe reageert de boom hier op? Nee, laten we het maar rigoureus aanpakken, de boom gaat er uit, met pijn in mijn hart. We spraken af dat de boom in het voorjaar gerooid zou worden en dit is een paar weken geleden dan ook gebeurd. Leo heeft het, jammer genoeg niet mee mogen maken, eind november vorig jaar overleed hij, 88 jaar oud. We zijn nu dus een mooie boom en een aardige buurman kwijt.

1 Februari 65 jaar na de ramp

Dit verhaal  past niet helemaal in mijn blog over de natuur, al gaat het wel over natuurgeweld. Het is mijn verhaal over hoe ik als kind de watersnoodramp van 1953 meemaakte.
Ik was zes en een half jaar toen de ramp het leven voor mij op Flakkee drastisch veranderde. Voor die tijd was ik – en dat gold voor de meeste jonge kinderen uit Achthuizen – nooit van het eiland weggeweest. Na de ramp was de wereld plotseling veel groter geworden. Ik ontdekte dat er bossen en vennen waren, grote dorpen en steden met heel veel mensen. Ik maakte kennis met een klooster annex een grote wasserij en een kruidentuin, met nonnen en fraters, een spoorlijn, waar je moest wachten voor de spoorbomen, als er treinen langs kwamen. Ik zag op de zoveel drukkere en bredere wegen de vele auto’s langs razen. Hoe anders was dat op ons eiland. Door het gedwongen verblijf in Oisterwijk, de plaats, waar we geëvacueerd waren, veranderde ons levensgevoel, maar eenmaal terug op Flakkee kwam het oude gevoel van beslotenheid en isolement weer terug.

Door de mechanisatie in de landbouw en het gebruik van bestrijdingsmiddelen nam de werkgelegenheid in de landbouw sterk af. De mensen uit ons dorp moesten elders werk gaan zoeken. Velen vonden dat in Rotterdam in de havens en in het Botlekgebied, waar tientallen pijpleidingen werden aangelegd. Nederland was zo kort na de Tweede Wereldoorlog volop bezig met de bouw van huizen, de aanleg van wegen en de ontwikkeling van de industrie. Op de akkers op het eiland, waar je vroeger tientallen arbeiders uien zag wieden en aardappels rooien, reden nu machines rond die het werk deden. Nog maar enkele arbeiders waren bij dit werk betrokken. Aanvankelijk deden die machines het werk lang niet zo grondig als eerder de arbeiders, maar geleidelijk verbeterde de techniek en nam het rendement van het machinegebruik toe.  

Zaterdag 31 januari 1953 woei er een hevige storm over het eiland. Je kon bijna niet over de dijk lopen. Het was koud en guur. ‘s Avonds gingen er al verhalen rond over de vloed die niet terug liep, en ook waren sommige mensen bang dat het water wel eens over de dijk heen zou kunnen lopen. Achthuizen ligt in een binnenpolder, en tussen de buitendijk langs Haringvliet, Krammer en Volkerak en het dorp liggen nog een paar binnendijken. De kans dat Achthuizen onder water zou lopen bij een dijkdoorbraak was niet zo groot als in de omringende dorpen. Iedereen ging, weliswaar wat ongerust, maar niet al te bang naar bed. Wat er echter die nacht gebeurde, was onvoorstelbaar. In het verleden zijn er vele overstromingen geweest, maar omdat niemand van de bevolking er ooit eentje had meegemaakt, dacht men dat die nu niet meer voorkwamen. De ramp was dan ook een complete verrassing voor de gehele eilandbevolking. Toch moeten er mensen zijn geweest, die wisten, dat een gebeurtenis als deze tot de mogelijkheden behoorde. Die kennis zal niet bij iedereen aanwezig zijn geweest, maar toch zeker bij hen die op de hoogte waren van het effect dat storm en water bij stormvloed kan veroorzaken. Bij mijn weten is er echter geen enkele waarschuwing uitgegaan voor wat zou kunnen gebeuren. Voortekenen moeten er volop geweest zijn, maar ik herinner me in dat kader alleen maar het verhaaltje, dat de hazen de dijken hadden opgezocht.  

De hele zondagnacht stormde het vreselijk en wij lagen in bed te luisteren naar de wind. ’s Morgens begon de dag als iedere andere zondagmorgen. Mijn zus Hennie ging om half acht naar de vroegmis en kwam gehaast terug met de mededeling, dat het water tot boven in de sloten stond en dat het nog steeds verder steeg. Het kwam al over de rand. Op de Nieuwbouw, zoals het wijkje waar wij woonden werd genoemd, liepen de mensen bij elkaar naar binnen om te overleggen wat er gedaan moest worden. Wat er zou kunnen gebeuren, was een vraag die niemand op dat moment goed kon beantwoorden. Op een gegeven moment gingen mensen dingen naar de zolder slepen. Mijn vader en mijn grote broers, Geert en Kees, zeulden de grote pekelton, gevuld met het vlees van het in het najaar geslachte varken, vanuit de kelder naar de zolder. Wij, de kleintjes, liepen er verloren bij. Waar mijn moeder was, weet ik niet meer. Me vasthoudend aan de rok van Antje IJpelaar ben ik naar de dijk gelopen. Antje was een al wat groter buurmeisje dat altijd probeerde, mij daarmee een beetje plagend, een zoentje te geven. We moesten al een heel eind door het water baggeren. Op de dijk aangekomen zijn we naar opa Brands gegaan. Ik weet niet wie nog meer bij mij waren. Misschien heeft Antje me daar gebracht. Het kan ook zijn dat er nog meer van ons gezin gelijk met mij naar de dijk gegaan zijn. Voor mijn gevoel kwam ik in mijn eentje bij opa aan. Een groot aantal familieleden zat al in het kleine kamertje. Door het raam keken we naar het nog steeds wassende water. De hele Galathese polder tegenover opa’s huis stond blank. De afrasteringen van de weilanden waren niet meer te zien. Een koe die los uit de stal de wei in gelopen was, zat vast in het weiland. Zij stond voor de draad en kon geen kant meer op. Na een tijdje zagen we haar niet meer. Ze was ondergegaan in het water.Afbeeldingsresultaat voor watersloot ramp 1953

Zo nu en dan gingen mensen uit huis de dijk op om koeien naar een veiligere plek te drijven. Ook werden deze gemolken, want melk was het enige dat we nog konden drinken. De waterleiding had het begeven en het drinkwater was geïnfiltreerd met zeewater. Op de dijk was het moeilijk voor de mensen om zich staande te houden. De wind gierde langs je oren. Tegen de middag werd het wat minder, maar ‘s avonds wakkerde de wind weer aan. De Molendijk op Den Bommel en de Tilsedijk in Zuidzijde waren ook doorgebroken. Aan de achterkant van opa’s huisje liep de Bommelse polder helemaal vol. We waren nu volledig ingesloten. Halverwege de middag stonden we met een aantal mensen, onder wie ook kleine kinderen, op de dijk naar deze zee te kijken. De wind was wat afgezwakt. Plotseling was er paniek. Ellie van tante Bet was in het water gevallen en dreef weg van de dijk. Gelukkig bleef ze in een aalbesbosje hangen, waar ze snel uitgehaald werd.

Het huisje van opa Brands op de dijk zat stampvol familie. Om beurten mochten we in de bedstee slapen. Dat gaf een veilig gevoel. Vanachter de gordijntjes door de kieren keken we de drukbevolkte kamer in en luisterden we naar wat daar besproken werd. Er was geen water, geen gas en geen elektriciteit. De kachel brandde op kolen die uit de schuur onder aan de dijk, net op tijd nog, naar het droge gebracht waren. Het vroor niet, maar de gure wind zorgde er voor dat de temperatuur tegen het vriespunt aan liep. 

Zondagavond nam de wind weer in hevigheid toe en werd er gevreesd voor nog meer dijkdoorbraken. Het water was bij de op de vloed volgende eb niet veel terug gelopen en steeg bij de nieuwe vloed nog verder. De storm bulderde weer over het eiland. Maandag verliep de dag in bang afwachten. Er was nog geen hulp van buiten gekomen en de mensen probeerden er van te maken wat er van te maken was. Gaten dichten in de dijken was onbegonnen werk. Koeien werden in veiligheid gebracht en ook werden er nog mensen uit de polder gehaald. Het gerucht ging dat alle honden en katten moesten worden afgemaakt, dit om besmettelijke ziekten te voorkomen. Dit gaf een hoop gedoe. Er waren boeren die, met het jachtgeweer in de hand, de politieman die belast was met het afmaken van de honden, probeerden te beletten om zijn taak uit te voeren. Een enkele hond is zo in leven gebleven, maar uiteindelijk gaf men, onder druk van het gezag en de argumenten, toe en werden de huisdieren allemaal doodgeschoten. Otto-Liesje, een oude onderwijzeres ‘van de overkant’, werkzaam aan de Openbare school in de Langstraat, zat nog in haar huisje op de Nieuwbouw. Ze was naar de slaapkamer boven gevlucht. Dat werd pas op maandag ontdekt. Als bijna de enige andersdenkende in het dorp – zij was protestant – had ze weinig contact met de buren. Onder veel protest is ze met haar katten uit huis gehaald en met een roeibootje naar de dijk gebracht. De katten moesten worden afgemaakt. Hoe erg ze dit vond liet ze duidelijk blijken. De Achthuizenaren konden voor haar houding in de ontstane situatie echter weinig begrip opbrengen. Zo sentimenteel werd er niet met katten omgegaan. Een hond verliezen, ja dat was jammer, maar een kat, daar zeurde je niet over.

Later op maandagmiddag kwam de hulpverlening van buiten op gang en gingen we iets merken van georganiseerde acties. We zagen helikopters van de Sabena overvliegen. Eentje, door de harde wind in moeilijkheden gebracht, moest in Achthuizen een noodlanding maken. Met deze helikopters zijn op het eiland, vooral in Oude Tonge, veel mensen van de daken gehaald. Later kwamen er ook amfibievaartuigen over de dijk en door de polder naar Achthuizen. De plaatselijke overheid probeerde door gerichte maatregelen sturing te geven aan wat er te doen stond in deze totaal nieuwe en verschrikkelijk moeilijke situatie.

Bij de hulpverlening ging er wel iets meer mis. Op 10 februari 1953 zou een Engelse Sikorsky-helikopter hulpgoederen brengen in Achthuizen voor de mensen die niet geëvacueerd hoefden te worden. De piloot wilde landen in de buurt van het Lesje, ongeveer ter hoogte van het huisje van mijn opa Brands, maar enkele seconden voor de landing blies een windvlaag het toestel van de dijk. De helikopter was total loss. De piloot kwam er met een nat pak vanaf.

Veel bekijks trok dit toch spectaculaire ongeluk niet, want op dat moment waren vrijwel alle mensen in Achthuizen al geëvacueerd. Alles was kapot, veel huizen waren voorlopig onbewoonbaar, besmettelijke ziekten dreigden. Winkels konden niet worden bevoorraad, normaal verkeer was niet meer mogelijk. De dijken moesten eerst gedicht, en ook andere herstelwerken moesten op grote schaal worden uitgevoerd. Op het eiland blijven was geen optie. Toch riep de evacuatie hier en daar protest op, vooral bij jonge mannen. Boekhouders en kantoorpersoneel kwamen ‘van de overkant’ om te werken aan de dijken, en jonge stevige kerels die gewend waren van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat in de klei te staan, moesten van het eiland af. Mijn broer Geert vond het heel erg, dat hij niet terug mocht om te helpen. Hij heeft wel geprobeerd om toestemming daarvoor te krijgen.

Woensdagmiddag op de vierde dag van de watersnood mochten wij vertrekken. Met een platte wagen met een tractor ervoor werden we naar Sluishaven gebracht.  Toen we Sluishaven tot op een kilometer genaderd waren, moesten we allemaal van de wagen en met de bagage die we bij ons hadden het laatste stuk te voet afleggen. Vlak voor de haven was een groot gat in de dijk geslagen. Over dit gat had men met balken een provisorische brug geslagen. Hier moesten wij overheen. Het was doodgriezelig. Onder de balken zag je het water door het gat in de dijk kolken. De boot lag op ons te wachten. De storm was al een paar dagen voorbij. De overtocht verliep dan ook gladjes. Op Dintelsas stonden bussen klaar om ons verder het land in te brengen. West-Brabant stond ook blank, maar het water stond hier niet zo hoog als in Achthuizen. De chauffeur moest zijn bus heel voorzichtig door de weliswaar ondiepe, maar levensgevaarlijke binnenzee sturen. De bomenrijen langs de ondergelopen wegen dienden als bakens die ervoor zorgden dat hij niet in de ondergelopen sloten reed. We leken op het Joodse volk, zich een weg banend door de Rode Zee, maar dan zonder donder en geweld en opstaande muren van water. Ik werd tijdens de rit volledig in beslag genomen door wat er om mij heen gebeurde en wat ik allemaal zag: rijden door het water, boerderijen die met hun dak net boven het water uitstaken, lange rijen bomen die ons de weg wezen. Ik vond het allemaal geweldig fascinerend. Ik heb mijn ervaringen later nooit echt kunnen delen met mensen die dit ook moeten hebben meegemaakt, vandaar dat ik hier een poging doe dit alles alsnog te vertellen. Ik weet niet meer waar tijdens de reis mijn familie was, mijn vader en moeder, mijn broers en zusters. Ze waren ongetwijfeld ook in de bus, maar ik heb daar geen enkele herinnering aan. Ik kan me ook niet herinneren dat we daar later met elkaar over gesproken hebben. 

De bus bracht ons naar een opvangplaats. Ik heb altijd gedacht dat die in Breda was, maar het was in de veehal van Den Bosch. Het was daar erg druk. Overal zag ik mensen met wat schamele bagage en bange onzekere gezichten. Van mijn moeder en mijn zusjes heb ik een foto. Ze zitten bij een tafeltje, waar een ober een kopje koffie serveert. Aan mijn moeder worden vragen gesteld door een man in een regenjas, een journalist. Ik sta zelf niet op deze foto, maar ik herinner me nog de mooie, jonge vrouw die bij hem is. Zij probeert mijn moeder gerust te stellen, maar die reageert daar niet zo op. Ze kijkt enigszins wezenloos en bang om zich heen, haar man zoekend die buiten beeld vlakbij haar staat. Op de vragen van de journalist lijkt ze niet te reageren. Ze heeft mijn zusje Rietje op schoot. Mijn grote zus Hennie heeft zich over Corrie ontfermd. 

In de ruimte waar we verbleven waren tafels vol met kleren, schoenen en speelgoed. We hadden geen andere kleren dan die we aan hadden en waren blij om hier van alles uit te mogen zoeken. Tussen de bergen textiel vond ik iets dat speciaal mijn aandacht trok, een soort overall voor in bed met voetjes er aan. Het was een hansopje, vertelden ze me later. Dit kindernachtpakje zou een belangrijke rol gaan spelen in de eerste dagen van onze evacuatie. 

Het was al stikdonker toen we weer de bus in moesten om verder te gaan, ik had geen idee waarheen. We reden door een stad. Dat zag ik aan de neonreclame. Ik had het nooit eerder gezien. Ik hoorde rinkelende bellen. Daarna reden we over een spoorwegovergang en stopten een eindje verder voor een groot gebouwencomplex, het nonnenklooster in Orthen bij Den Bosch. Hier zouden we voorlopig blijven. De eerste avond zagen we niet veel van de gebouwen en de omgeving. We moesten naar bed. Waar iedereen was, blijft voor mij weer een groot raadsel. Ik stond op een grote zolder met spanten en balken, planken vloer en dakbeschot. De zolder was ingedeeld in kleine ruimtes door middel van gordijnen en schermen. In de zo ingerichte kleine ruimtes stonden stapelbedden. Ik kreeg een bed toegewezen. Hier kon ik slapen. Er zou op me gepast worden, denk ik. Ben ik bang geweest, zo alleen op die grote zolder, nog maar net iets ouder dan mijn kleinzoontje Daan nu, jonger dan Sofie? Ik weet het niet, maar ik denk het wel. Ik plaste nog regelmatig in mijn bed. Het was koud, februari, er zal geen centrale verwarming geweest zijn. Alsof de voorzienigheid daarvoor gezorgd had, kwam nu mijn hansopje van pas. Onder de dekens, helemaal daarin opgesloten, vond ik de rust, de veiligheid en de warmte die ik nodig had om in slaap te komen. Mijn voeten, omsloten door de sokjes die geen einde leken te hebben en helemaal tot mijn nek gingen, gaven mij zo’n gevoel van veiligheid, dat ik dit nu nog na kan voelen. Later toen ik groot was en dingen moest doen, waar ik bang voor was of die ik spannend en moeilijk vond, voelde ik in mijn voeten, als in een déjà vu, de rust en het vertrouwen om te doen wat te doen stond.

In het klooster kregen we brood met gekleurde hagelslag en worst. We mochten in de tuin de planten water geven met een zinken gieter. De nonnen werkten in de moestuin en wij hielpen hen met allerlei karwijtjes. Het klooster had ook een wasserij met grote wasketels en mangels om het water uit het wasgoed te wringen. Ook stonden er grote strijkmachines. Deze leken op mangels, grote rollen die tegen elkaar indraaiden en het wasgoed zo glad als een aal persten. De was, gehaald en teruggebracht door kleine vrachtwagentjes, kwam van hotels en bedrijven. De evacués hielpen mee in het klooster waar ze konden, ook in de wasserij. 

Behalve ons gezin waren ook de gezinnen van tante Bet en dat van Kaat de Waal, buren van ons in Achthuizen, in het klooster ondergebracht. Tussen moeder en Kaat boterde het niet zo. Ze konden in Achthuizen al niet met elkaar opschieten, en nu ze in een kleine ruimte gedwongen samen waren, ging het helemaal niet. Er ontstond al gauw ruzie over het schoonmaken van de badkamer. Eén van de kinderen had in bad gepoept en dit was niet opgeruimd door de ouder. Er zullen nog wel meer ruzies geweest zijn. Op een bepaald moment ging het niet meer en werd er besloten dat ons gezin en dat van tante Bet weg moesten uit het klooster. Wij werden overgebracht naar de Staalberg in Oisterwijk. Dat was een vakantiekamp met nieuwe houten huisjes. Deze waren nog niet gebruikt en nog maar net klaar. Ieder gezin kreeg een huisje. De gaarkeuken was voor algemeen gebruik. Daar moesten we ons warm eten gaan halen. Ik zie me nog staan met mijn pannetje om de aardappels en de groente in te doen.

De Staalberg lag ongeveer drie kilometer van de school. We gingen er te voet naar toe, eerst door een dennenbos langs vennen met zwanen er in, dan langs het hertenkamp en via een verharde weg naar het dorp. De school, waar fraters de scepter zwaaiden, lag niet ver van het spoor. In Achthuizen had ik nooit een bos of ven gezien.Voor mij was de omgeving totaal nieuw. Alles leek hier ontzettend groot en ik voelde me een heel klein jongetje onder die grote dikke bomen.

Na vier maanden waren de polders rond Achthuizen weer droog. Pa, Geert, Hennie en Kees konden naar huis om de boel schoon te maken. Er lag een dikke laag slik op de vloer. Overal lag wrakhout en het was een vreselijke rotzooi. Na een tijdje mochten ook wij naar huis. 

Overal op het eiland, op de dammen over de sloten naar het akkerland, lagen grote hopen gips. Dit werd uitgestrooid over het land om het zout, dat door het zeewater in het land gekomen was, uit de grond te trekken. Het eerste jaar werd er niet geoogst. Het land werd ingezaaid met lupine, wikke en klaver. Gewassen die de grond weer gezond moesten maken. Na verloop van tijd nam het leven weer zijn normale gang. Over de ramp werd niet veel meer gesproken. In Achthuizen hadden de mensen ook niet zo veel geleden als in de omliggende dorpen. Er waren bij ons geen doden te betreuren. Wel was er veel materiële schade. Van alle kanten kwam hulp om het leed en het verlies goed te maken. Uit Oostenrijk, Zweden en Canada kwamen complete huizen van hout, een flink aantal hiervan is nu nog steeds in gebruik. Ook werden er pakketten met gereedschap uitgedeeld. Deze kwamen van het rode Kruis. Hamer, nijptang, sleutels, schroevendraaiers, schop, riek en schoffel. Ik zie het allemaal nog zo voor me, een kleine bijl, een hakmes en een grote bijl.

De dijken en polders lagen bezaaid met wrakhout, achter op de plaats werd door een grote vrachtauto een flinke lading hout gestort. Dit werd kapot gezaagd voor de kachel. Het meeste hout kwam uit de dorpen uit de buurt. Vooral Oude Tonge was zwaar getroffen. Ik heb de ravage zelf nooit gezien, ik was nog te jong om zo ver van huis te gaan, maar van foto’s en later van wat mijn zus vertelde, wist ik dat het verschrikkelijk geweest is. Toen wij terug op Flakkee kwamen stonden nog enkele polders onder water. Met de telefoonpalen die langs de dijken lagen, maakten we een vlot waarmee we de, onder water staande, polder op vaarden. Voor ons, jongetjes, was het een spannende tijd. Ik had het gevoel dat niemand op ons letten en wij ongestoord onze gang konden gaan. Overal werd gewerkt om de schade te herstellen. Ik herinner me dat er dikke pijpleidingen vanuit de polder, over de dijk naar het buitenwater liepen. Met grote pompen werd door deze leidingen het water uit de polder weer terug in het Volkerak gepompt. Met netten of iets wat daar op leek, probeerden wij de vis die met het water mee kwam, te vangen.

Het leven kreeg na verloop van tijd weer zijn oude loop. In 1956 hebben we nog een keer flink in onze rats gezeten toen er weer een zeer zware storm over het eiland woei. Rond 1958 zagen wij, toen we zwommen in het Haringvliet, in de verte, richting Ooltgensplaat en Willemstad, de eerste contouren van het opgespoten zand dat Hellegatsplein moest worden. De dam die Flakkee met dit plein moest verbinden werd vanaf Flakkee opgespoten en wij waren maar wat nieuwsgierig naar de machtige machines die hier aan het werk waren. Het was levensgevaarlijke om te dicht in de buurt van het opgespoten zand te komen want het vers opgespoten zand was lange tijd drijfzand, waar je in weg kon zakken.

In 1960, net voordat Flakkee uit zijn insolent was bevrijd, vertrok ons gezin van ons eiland, naar Best. Door de snelle mechanisatie in de landbouw en het werken met verdelgingsmiddelen, was er nog maar weinig werk voor de landarbeiders en pendelden veel mannen iedere dag naar Rotterdam om in de havens en droogdokken te werken. Mijn vader had hier weinig zin. Hij was toen 53 jaar en had een zwakke rug. Door bemiddeling van zijn broer, die al in Best woonde konden wij een huis krijgen en bij de Bata gaan werken. Mijn vader heeft het land nooit gemist, hij wist niet hoe gemakkelijk hij het had in de fabriek bij Bata. Geen kou, geen regen, geen ijzel op het suikerbietenblad, geen kloven in de ongeschoeide handen, geen pijn in zijn rug en maar doorgaan. Nee, voor pa was Best prima. Ik miste Flakkee in het begin erg. Net nog geen 14 en nog graag spelend en zwervend door de polders en over het gors. In Best hoefde ik nog maar een paar maanden naar de basisschool en daarna ging ik naar de Bataopleiding voor machinaal schoenmaker. De hele dag in een, niet zo fris ruikende fabriek, in een overal achter allerlei machines. Dit was mijn nieuwe leven.

We trekken een wissel

Een paar jaar geleden is het langvengebied, dat ligt in de noordoost-hoek gevormd door het kanaal en de A2 snelweg in Best, ontdaan van een groot aantal vliegdennen. Ook is de bodem van een deel van het gebied afgeplagd tot op de grijze podzolgrond. Met deze beheermaatregel hoopt men de waterstand in de vennen op een hoger peil te brengen. De bomen trekken veel water uit de grond, dat anders in de vennen zou worden opgevangen, was de redenatie. Of dit door het kappen van de bomen ook werkelijk zal gebeuren is nog niet duidelijk, er worden regelmatig metingen verricht die dit moeten aantonen. Voor het droog houden van de A2, die vlakbij de grond in gaat, moet veel water weggepompt worden. Hierdoor daalt de waterstand in de omgeving en dit heeft uiteraard effect op het omringend gebied.

Ook als het rooien van de bomen geen effect heeft op de waterstand is het toch goed dat dit gebeurd is. Het langvengebied is een klein restant van de grote stille heide, zoals wij die tot begin 1900 nog kenden. Dit gebied van ongeveer vijf kilometer breed, liep van Turnhout tot in de Peel en was een onmisbare schakel in de toenmalige landbouwmethode, de potstalcultuur. De heide was graasgrond voor de schapen, leverancier van plaggen, mest en nog veel meer producten. Door het afplaggen en begrazen bleef de heide eeuwen lang in stand. Met de komst van de kunstmest werd de heidegrond overbodig en gebruikt voor andere doeleinden zoals bosbouw, en stadsuitbreiding. Slechts hier en daar ligt nog een klein stukje geschiedenis, meestal op natte grond die ongeschikt was voor “ontwikkeling”.

Met het ontdoen van vliegdennen en het afplaggen van de heide, brengen we het gebied weer een beetje in de staat van vroeger. Interessant is te zien hoe algen, mossen en uiteindelijk jonge heide de kale grond weer gaan kolonialiseren. De successie, opeenvolging van verschillende ontwikkelingsstadia van plantengroei, is hier goed te volgen. Je moet wel wat geduld hebben want de natuur heeft alle tijd.

Met het afplaggen van de hoge en al oude heide, zijn ook hele stukken van de paden, die door dit gebied lopen, weggeschoven. Wanneer ik het gebied in trok om te zien wat er allemaal aan de gang was voelde ik me wat verward, waar moet ik lopen, het was alsof ik over een kale akker liep. Ik zocht naar oriëntatiepunten en voelde me weer een beetje thuis als ik het restant van een oud pad vond. Nu, na enkele jaren, zie je nieuwe stukjes pad ontstaan die de oude paden weer aan elkaar verbinden. Ook dit is weer een interessant gegeven, nieuwe paden die ontstaan, daar waar mensen gaan. Waar dieren dit doen spreken we van “een wissel”. Wanneer mensen een “wissel trekken”bedoelen we toch wat anders. Misschien trekken we met de beheermaatregelen die het langvengebied weer wat mooier maken,  een wissel op de toekomst.

Een voorboden van de Lente

We zitten nog midden in de winter, ook al is dit aan de temperatuur niet te merken. Het kan nog alle kanten op, het is nog lang geen lente. Toch bereidt de natuur zich al weer voor op het komende seizoen. De temperatuur hoeft maar een paar dagen wat hoger te zijn en de eerste tekenen van de naderende lente kondigen zich al aan. Ieder jaar is het weer een sport om het eerste vrouwelijke hazelaarbloempje te ontdekken. Zodra ik de mannelijke katjes langer en dikker zie worden weet ik dat het vrouwelijke katje in de buurt moet zijn. Ik kan geen hazelaar meer voorbij rijden zonder af te stappen en de takken af te speuren naar het kleine rode bloempje, dat na bevruchting de hazelnoot zal gaan vormen. Prachtig hoe deze struik weet dat het snel moet zijn. Afhankelijk van de wind voor de bestuiving, moet het in bloei zijn voor de bladeren aan de bomen in zijn omgeving uitlopen en daardoor de bestuiving gaan bemoeilijken en zelfs kunnen verhinderen. In de herfst van het vorige jaar heeft de hazelaar de eerste aanzet voor de mannelijke katjes en de blad- en bloemknoppen al gevormd.P1090840 Het bladgroen wordt uit de bladeren die later zullen worden afgeworpen, terug getrokken en in de knoppen voor het volgend jaar opgeslagen. Aan  de knoppen is nog niet te zien of het blad- of bloemknoppen zijn. De mannelijke katjes zijn duidelijk te herkennen. Ze zijn kort en heel compact. Door de hoge concentratie aan mineralen in de katjes en knoppen zijn deze bestand tegen vorst in de winter  en zullen ze niet bevriezen. Het grootste risico om te bevriezen lopen de katjes wanneer ze, door tijdelijk hogere temperaturen, te vroeg uitlopen. Dit komt vaak voor, vooral als we een zachte januari hebben en een koude februari of maart.

Vanmorgen vond ik mijn eerste vrouwelijke katje. In de Scheeken, wandelend in de hoop edelherten te zien, zag ik langs de sloot, goed beschut in de luwte van een grote populier, een hazelaar, boordevol hangende stuifmeelkatjes. Ik tikte tegen een van de katjes en een volkje geel stuifmeel dwarrelde door de lucht. Op een van de bovenliggende  knoppen zag ik het kleine rode bloempje. Altijd weer een mooi moment, ieder jaar bijna het zelfde maar toch altijd weer mooi. De lente komt, ook al duurt het nog even.