De wereld in rep en roer

We waren nog helemaal in de ban van de stikstofcrisis toen de nieuwe crisis zich aandiende. Crisissen kunnen we maar een tegelijk aan, dus de stikstofcrisis met boze boeren en verontruste aannemers en bouwers krijgt even geen aandacht. Terecht, corona is heel ernstig en gaat letterlijk over leven en dood. Dat gaat de stikstofcrisis en de co2 uitstoot uiteraard ook, maar minder zichtbaar en dit wordt ook niet duidelijk in overvolle ic afdelingen in ziekenhuizen en sociale distantie is ook niet echt nodig om de opwarming van de aarde af te remmen. De luchtverontreiniging richt zich met haar dodelijk venijn ook niet specifiek op de oudere en zwakke. Natuurlijk hebben deze categorieën hier ook onevenredig veel last van, maar dit wordt en werd niet in grafieken en cijfers, avond aan avond op de televisie gepresenteerd. Door alle maatregelen om de coronacrisis te beteugelen is de lucht in grote delen van de wereld, zichtbaar verbeterd. Er gaan zelfs berichten rond in de media dat het aantal minder doden door de schonere lucht, het aantal coronaslachtoffers, verre overtreft. Maar ja, zo mag je natuurlijk niet tellen. Een aantal mensenlevens is geen som van optellen en aftrekken.

Toch blijf ik hier steeds aan denken. Is dit een tic van mij? Al vanaf mijn jeugd maak ik me druk om de aftakeling van de natuur. Ik fietste rond in ons Brabantse land en zag het landschap verkavelen, de megastallen uit de grond rijzen, de gier over het land stromen, het gif over de akkers en gewassen vernevelen. Mensen kregen Q-koorts, varkens en kippen werden massaal geruimd. Nergens kun je nog een uur fietsen zonder een snelweg over of onderdoor te moeten. Een sombere opsomming en dat in een tijd dat we worstelen met een virus die alle leven in de wereld bedreigd. Moet ik me nu, daar druk over maken? En toch doe ik het.

Als ik mijn leven overzie, zo rond mijn 73e levensjaar, is er veel verbeterd, dat besef ik maar al te goed. Niet voor iedereen, want als gepensioneerd schuldhulpverlener heb ik aardig wat ellende gezien, maar toch, voor veel van ons is het leven goed. Tot mijn 12e jaar bestond het leven van onze ouders voornamelijk uit werken. Om zes uur in de morgen stond mijn vader tot zijn kruis in het natte suikerbietenblad om de bieten uit de zware klei te steken. Als hij geen bieten stak, dorsten hij gerst of tarwe of stak aardappelen, tot vijf uur in de middag. Na het avondeten nog snel een paar uren naar de uien om die schoon te houden, te plukken of te oogsten. Voor mijn moeder en oudste zus was het anders, maar niet veel lichter. Een huishouden met tien personen gaf niet veel tijd om kruiswoordpuzzels te maken of een romannetje te lezen.

Na mijn 12e jaar veranderde het leven in een verrassend snel tempo. De landbouw mechaniseerden, de landarbeiders werden gedwongen ander werk te zoeken. Geen seizoenarbeid meer maar een vaste baan in de havens of droogdokken van Rotterdam. Ze moesten nog wel om vijf uur in de morgen op den hoek staan om met de bus naar hun werk vervoerd te worden en ze waren ook pas om zeven uur in de avond thuis. Maar niet meer de hele dag met een kromme rug in weer en wind, in het land. Het loon dat verdiend werd was ook stukken hoger dan in de landbouw. De boeren van Flakkee waren niet zo gul. Al snel kon je de eerste nieuwe fietsen en bromfietsen bij de mensen voor de deur zien staan. Ik vergeet het nooit meer, met wel tien jongens verdrongen we ons om die prachtige machines die arbeiders zomaar konden kopen. Nou ja, zo maar, er moest natuurlijk wel even voor gespaard worden. Dit was het begin. In de huizen kwamen bankstellen en tv toestellen te staan en hier en daar schafte men zelfs een telefoon aan. Ongekende weelde.

Zo kan ik nog wel even doorgaan tot we in 2020 zijn aangeland. Er is echt heel veel verbeterd. Maar we zijn denk ik met zijn allen iets vergeten. Een ding dat we vergeten zijn is dat we de welvaart die we nu hebben voor een deel op de pof hebben. De prijs is niet helemaal betaald. De lucht die we vervuilen wordt niet schoon gemaakt. Het gif op onze groente maakt ons ziek, naar dat vindt je niet terug in de kosten van deze groente. De wegen die het land verkavelen, ontnemen de dieren hun leefgebied, maar dit wordt niet gecompenseerd. De producten en diensten die wij gebruiken kosten veel meer dan wij er voor betalen. Het gevolg is dat de natuur en ook wij met de rotzooi blijven zitten.

Deze coronacrisis brengt een heleboel publiciteit op gang. Talloze berichten worden over en weer aan elkaar doorgestuurd. Gelukkig zitten tussen deze berichten veel geluiden zoals ik hier boven weergeef. Ik hoop dat deze crisis duidelijk gaat maken dat we het roer om moeten gooien. Hoe? Ik heb niet de pretentie te denken dat ik dit weet. Maar ik wil wel graag mee denken, want dat het anders moet, weet ik wel.

Onze tuin komt opnieuw tot leven.

(Na een lange tijd van afwezigheid.)

In juli 2018 ging er een epidemie door onze tuinen. Honderden Buxus legden het loodje. Het was een troosteloze aanblik, al die dode heggetjes. Nu, bijna twee jaar later, zijn de heggetjes weer terug, niet de zelfde, geen Buxus, maar toch, mooie frisse plantjes. De Buxus plantten wij met stekjes van de buren een eindje verder in de straat. Weken waren we in de weer met water geven om de wortelloze stekjes te helpen overleven. Dat was meer dan 30 jaar geleden. Onze financiën, maar ook onze instelling zetten ons aan om op deze manier onze tuin in te richten. Nu, jaren later, jaren ouder en niet meer zoveel jaren voor de boeg als toen, hebben we meer financiën en minder tijd om wortelloze stekjes te koesteren. We kozen daarom voor plantjes in potjes met wortels die sneller resultaat hebben. Vorige week donderdag gingen we aan het werk. De paadjes werden uitgezet met behulp van touw en piketjes. Geultjes spitten en compost in de aarde om de plantjes een goede start te geven. Tegen de avond was de eerste cirkel in het midden van onze tuin geplant.

Toen sloeg een andere epidemie toe, althans daar was ik bang voor. Na het avond eten begon mijn neus vol te lopen en kwam de hoofdpijn op zetten. De voortgang van de tuinaanleg kwam voor mij in gevaar, dat besefte ik. Daarbij kwam de dreiging uit China en Italië steeds dichter bij. corona!! Het zal toch geen corona zijn. De klachten waren heel herkenbaar, ik had hier meer last van gehad. Ieder jaar ben ik wel enkele keren snotverkouden en kan dan niet inslaap komen omdat ik geen lucht krijg door een verstopte neus. Met een doorgesnede ui op een bordje ging ik om tien uur naar bed. De andere ochtend moest ik het planten van onze heggetjes aan Trees over laten. Zaterdagmiddag was het karwei geklaard. De tuin zag er weer prachtig uit. Dat vonden ook al die voorbijgangers, die ons huis passeerden. Ik hield mijn hart vast, bang dat Trees besmet zou worden door al die eventuele corona patiënten. Gelukkig, we zijn nu al weer een week verder en Trees geeft nog geen teken van verkoudheid, griep of corona laten zien. Dit ondanks dat ik haar al wel honderd keer had kunnen besmette. Gelukkig bleek mijn verkoudheid of lichte griep geen corona. Ik knap al weer aardig op.

Intussen is Nederland in de ban van corona. Sinds onze heggetjes er staan, groeit het aantal besmettingen en zijn er al veel doden te betreuren. Vooral Brabant wordt zwaar getroffen. De Carnaval zou hier een oorzaak van kunnen zijn. De kranten staan er vol van en op radio en tv gaat het bijna nergens anders over. Scholen sluiten, openbaar vervoer rijdt bijna leeg rond, winkels en bedrijven draaien op een laag pitje en de horica en het cultureel leven liggen helemaal stil. Lege straten en mensen die in een boogje om elkaar heen lopen. De minimale afstand om elkaar te benaderen is 1,50 meter. Alle sport- en vrijetijdsactiviteiten zijn afgelast. Het is allemaal heel onwerkelijk en niemand weet hoe dit gaat aflopen.

De epidemie die onze Buxus het loodje deed leggen ligt al weer een hele tijd achter ons. Nu ziet onze tuin er weer prachtig uit en zal deze zomer nog mooier worden. Deze epidemie is aardig overwonnen. Hoelang we nog zullen knokken met corona weten we niet. Wat we er van zullen leren en hoe ons leven er over, zeg maar twee jaar, uit zal zien, zullen we zien.

De droogte voorbij???

Terwijl de boeren nog kreunen en steunen over de verloren oogst krabbelt de natuur hier en daar weer overeind. Wandelend door de Vleut zie ik het groen de plaats in nemen van de gele bermen en weiden. Wat gaat dat snel. De buien zijn nog maar net gevallen en over ons gazon ontwikkeld zich een groene gloed, veroorzaakt door ontelbaar dunne groene grassprietjes. Ook de hitte van vorige week heeft plaats gemaakt voor een fris weertje (het is half acht als ik dit ervaar) en geeft nieuwe energie en zin om in beweging te komen.

De wilde natuur, als vlekken tussen ons cultuurlandschap, blijkt veel veerkrachtiger dan onze landbouwgewassen. De dieren hebben het even moeilijk gehad maar doen zich nu al weer te goed aan fris groen. De boeren doen er langer over om de geleden schade te verwerken.

Onze buxus leggen het loodje

Dertig jaar geleden besloten wij, de drie bewoners van de “Hokkelhoeve”, gelegen aan de, toen nog,  Hokkelstraat, ( nu Hulst) , om onze voortuin als één tuin te gaan aanleggen. Ons huis was een geheel, dus onze tuin moest dit ook worden. Het grondpatroon werd drie cirkels verbonden door paadjes, omzoomd met buxusheggetjes. Het was in de tijd dat de buxus in opkomst waren. Ieder normaal mens zou in dit geval naar een tuincentrum gegaan zijn en de benodigde buxusstruikjes gekocht hebben. Wij niet, zelfvoorzienend als wij waren, of waarnaar wij streefden, hadden we in de buurt al verschillende tuinen gezien waar de buxus weelderig tierden. Deze moesten bij tijd en wijlen geknipt worden, wisten wij, en dan kwamen er een heleboel stekjes beschikbaar. Toen een van onze, wat verdere buren de buxus ging knippen, boden wij aan de rommel op te ruimen en mee te nemen. Dat was goed. Met een volle kruiwagen stekjes gingen wij huiswaarts. De stekjes werden gesorteerd op grote en bruikbaarheid en vervolgens geplant in de uitgezette patronen. Toen begon het echte werk pas. Iedere avond water geven en de stekjes die het niet haalden vervangen uit de voorraad die we in de achtertuin hadden gezet. Maanden zijn we er liefdevol mee bezig geweest. Ik had vanaf het begin zo mijn twijfels bij het hele experiment, maar dit bleek onterecht. De buxus groeiden niet hard maar bleven in leven en voldeden aan onze verwachting.

Maar  nu, na dertig jaar zorg  en toewijding, voltrekt zich een ramp over onze heggetjes. Net als in heel veel andere tuinen werden onze buxus in het voorjaar kaalgevreten door de buxusrups. Op veel plaatsen zagen wij de schop de grond in gaan en de buxus in de kliko belanden. Andere tuinliefhebbers grepen naar de gifspuit. Voor ons, doorwinterde IVNers, was spuiten geen optie en rigoureuze dumping in de kliko ook niet. We hadden in de beginjaren wel meer dorre tijden gekend. Nee, onze strategie was,  we wachten rustig af, het leven is sterker dan de dood en de door de stippelmot  kaalgevreten struiken in onze broekbossen, zijn het jaar daarop ook weer uitgeschoten. Onze hoop op een nieuw leven voor onze buxus was niet ijdel, hier en daar kwamen al wat groene blaadjes te voorschijn. Een paar weken geleden werd deze hoop  definitief de grond in geslagen. De temperatuur liep op en er wilde maar geen regen vallen. De verwachtingen voor de komende weken zijn niet best. Nu staan onze buxus erbij als in de woestijn, dor en doods. En toch,, bij het maken van bovenstaande foto, voelde ik dat de takjes aan de voet nog veerkrachtig waren niet helemaal uitgedroogd en dood. Wie weet, is er toch nog hoop voor onze buxus die met zoveel liefde en toewijding zijn grootgebracht. Volgend voorjaar zullen we het weten.

Kabouter Kwebbel ontdekt het licht

In de bossen tussen het Boshuys en het Oud Meer kun je, wanneer je geluk hebt, kabouters ontmoeten. Dit geluk had ik enkele dagen geleden. Ik ontmoeten hier een kabouter en deze vertelde mij het volgende verhaal:

Het was rond 1645, mijn betovergrootvader, kabouter Kwebbel, lag lekker op zijn rug in het warme najaarszonnetje. Hij mijmerde over de naderende winter, de kortere dagen en de koude lange nachten. Hij zou dan weer lange tijd vroeg naar bed moeten want zonder licht waren het vervelende avonden. Kwebbel hield niet van de winter.

Plotseling hoorde Kwebbel een doordringend gezoem. Wat zou dat zijn, het leken wel bijen of hommels, maar dan een hele boel. Kwebbel besloot op onderzoek uit te gaan, want hij was een heel nieuwsgierige en ondernemende kabouter. Toen hij in de richting liep van waar het geluid kwam, schrok hij heel erg. De heide stond in brand en het vuur liep, voortgedreven door de stevige wind, in een flink tempo vooruit, een zwart geblakerde vlakte achter zich latend. Midden in het vuur stond een grote boom met net onder de takken een hol. In dit hol was een bijennest, hier rondom gonsden een grote zwerm bijen. Door de hitte van het vuur was de honing en de was in het hol aan het smelten en droop deze uit het hol, langs de stam naar beneden. Gelukkig trok het vuur verder en nam de hitte, door het het koelen van de druk fladderende bijen, snel af. De bijen gingen het nest weer in om te redden wat er te redden viel.

Kwebbel keek aandachtig rond. Wat gebeurden hier allemaal? Onder aan de boom had de gesmolten was een hoopje gevormd en midden in het hoopje was stak een stukje boombast omhoog. Overal rondom de boom was het vuur al gedoofd maar het stukje bast branden nog. Het branden maar het verbranden niet, de was werd wel minder. Kwebbel vond dit allemaal heel fascinerend, hier wilde hij meer van weten. Hij verzamelde zoveel was als hij kon en nam dit mee naar zijn huisje. Hij smolt de was en goot dit in een kopje. Omdat de boombast toch niet zo geschikt was als lontje, ging hij experimenteren met allerlei andere materialen. Een paar draadjes uit zijn trui, opgedraaid gras en de kern van de pitrus, een plant die op drassige grond in de buurt groeide. Het resultaat van het experimenteren werd steeds beter en na een paar weken had Kwebbel een prima kaars ontwikkeld. Nu kon hij in de winter langer opblijven en lekker lezen, bij zijn lustig snorrende kacheltje, met een pijpje in zijn mond.

Mais

Hoe komen we toch aan al die mais

De mais schiet op dit moment als paddenstoelen de grond uit. Vorige week zag ik een veld waar de spruiten ongeveer vijf centimeter boven de grond uitstaken, nu zijn dit er al meer dan tien. Op al mijn fietstochten door het Brabantse land rondom Best zien we maisvelden in overvloed. Het stemt mij niet erg blij, deze massa’s mais. Ik weet nog dat er in deze contorijen aardappelen, bieten en graan geteeld werden. De boerderijen waren toen nog gemengde bedrijven waar koeien, varkens en kippen gehouden werden. Ook de landbouw had in het gemengd bedrijf een voorname plaats. Langzaamaan kwam er een verandering op gang. Boeren gingen specialiseren. Kippenhokken werden omgebouwd tot varkensstallen of afgebroken om plaats te maken voor nieuwe kippen- varkens- of koeienstallen. Boerenzoons, die aanvankelijk geen plaats op de boerderij hadden en de bouw in gingen, bouwden in hun vrije tijd een bescheiden varkensstal en hadden er op deze manier een kostwinning bij. Sommige, zo gestarte nieuwe parttime boeren, breiden al snel uit en groeide naar grote stallen van honderden varkens. Al snel deden zich de eerste problemen voor. Waar bleef men met de overvloed aan drijfmest. Geen enkel gewas was instaat dit te behappen. Mais bleek een plant die jaar op jaar een grote hoeveelheid mest kon verwerken. Het leverde gelijk een goed voedsel voor de melkveehouderij, die in het kielzog van de varkensbranche, sterk kon uitbreiden.

Nu, zo’n vijftig jaar later, zitten we naast de monocultuur aan grasland, en een grote hoeveelheid mest waar we geen weg mee weten, met een landschap waar de mais een overheersende plaats inneemt.

Het is een beetje gemakkelijk nu heel hard te gaan roepen dat we van die mais, dat grasland, die varkenshokken en koeienstallen af moeten. Zo gemakkelijk is dit niet. We hebben een ontwikkeling doorgemaakt waarvan maar weinig mensen zagen dat dit niet goed af ging aflopen. Nu komen de, met deze ontwikkeling, samenhangende gevolgen wel heel bedreigend op ons af. Met name de afnamen van het aantal insecten schijnt veel mensen zorgen te baren. Hier en daar zijn er boeren die overschakelen op meer biologische landbouw en de natuurbeschermings-organisaties proberen d.m.v. het creëren van natuurgebieden te redden wat er te redden valt. Gelijk wordt er op deze manier gewerkt aan meer bewustzijn van de nood waarin de natuur verkeerd. Ik wil het plezier van jullie fietstochten door ons, nog steeds mooie Brabantse land niet verpesten, maar hoop dat dit stukje jullie kijk op de mais die je onderweg voorbij fietst, toch een beetje verandert. Niet alle groen is goed voor ons milieu.

Ontmoetingen in mei

Mijn stukjes gaan vaak over ontmoetingen. Ontmoeten is een rode draad door het leven van ons allen en ik wens iedereen toe hier net zoveel van te genieten als ik dit doe. Ontmoeten, hoeft niet, het woord  zegt het zelf al. “Ont-moeten, niet moeten, niets moet”. Het gebeurd dan ook meestal zonder dat je hier iets voor doe. Vaak, maar niet altijd, je kan er ook op uit zijn, het ontmoeten een beetje helpen. Dat overkomt mij ook, zo nu en dan. Sommige tijden van het jaar zijn beter voor ontmoetingen dan andere. De zomer en de lente b.v. zijn beter dan de winter. Je komt meer buiten en blijf ook gemakkelijker staan. Mei is voor mij de meest ontmoetingsvolle tijd. Het lijkt alsof ik dan meer behoefte heb om te praten, om gedachten en gevoelens te delen. 1 Mei begint het al, “de dag van de arbeid”, allerlei gedachten vliegen dan door mijn hoofd. Sint Jozef, de timmerman, Stalin, ontmaskert als een vreselijke massamoordenaar, maar voor veel arbeiders in de beginjaren van het communisme, een held, de rijke boeren van Flakkee, die mijn opa en vader uitknepen en in de richting van het socialisme dreven. Dan komt 4 en 5 mei, herdenking en bevrijding van een vreselijke oorlog. Ik heb hem gelukkig persoonlijk niet meegemaakt, maar geboren in 1946, de invloed hier van wel degelijk gevoeld. Op 4 mei stonden we met een groot aantal bestenaren bij het kruispark om te gedenken en ons voor te nemen: “nooit meer oorlog”. Zondag 15 mei fietsten mijn vrouw en ik over het fietspad van de Sonse weg, richting Joe Mann theater.  Ter hoogte van de Schietbaan,  staat het herdenkingsmonument van kolonel Cole, gesneuveld tijdens de luchtlanding van de 101 airborne divisie op 18 september. Bij dat monument stond een motorrijder, met zwaar bepakte motor, in gedachten naar het monumen te kijken. Wij waren al voorbij gefietst, toen mijn vrouw vroeg, “moet je niet afstappen”, ze weet dat ik het maar moeilijk laten kan, mensen die ik tegen kom te vertellen over wat er om ons heen te zien is. Ik vond het zelf ook al vreemd dat ik niet gestopt was. Maar beter ten halve gekeerd, dus wij draaiden om en begonnen een gesprek met de beschouwer van de herinnering aan kolonel Cole. De motorrijder, een engelsman, was op tocht door Brabant om het spoor van de 101 Airborne divisie te volgen. Hij had hier een boek over gelezen en wilde de plaatsen waar de acties  hadden plaatsgevonden, bezoeken. Hij was verrast door ons  gesprek en de verhalen die ik hem kon vertellen over hoe wij in Best met onze oorlogshelden omgingen. De sportclubs die naar hen genoemd waren, het Joe Mann theater en paviljoen, het museum, Bevrijdende vleugels. Hij was erg blij dit uit de mond van een bestenaar te horen en ik was blij hem dit te kunnen vertellen. Een mooie en waardevolle ontmoeting, die bijna  niet doorgegaan was.